Betrokkene kreeg een administratieve boete opgelegd wegens het parkeren van een voertuig van 6,2 meter lengte op een plek binnen de bebouwde kom waar dit volgens de APV verboden is. De officier van justitie verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond, waarna betrokkene beroep instelde bij de kantonrechter.
Op de zitting van 4 maart 2022 verschenen zowel de vertegenwoordiger van de officier van justitie als de gemachtigde van betrokkene. De kantonrechter overwoog dat het college in 2007 en 2010 een aanwijsbesluit heeft vastgesteld dat het parkeren van grote voertuigen binnen de bebouwde kom verbiedt, met uitzondering van bepaalde industrieterreinen.
De verklaring van de ambtenaar die de overtreding constateerde, werd als voldoende bewijs beschouwd. Betrokkene voerde aan dat de officier van justitie zijn informatieplicht niet had nageleefd, maar dit verweer werd verworpen omdat het aanwijsbesluit openbaar en toegankelijk was. De kantonrechter vond geen reden om de boete te matigen en wees het beroep ongegrond. Ook werd het verzoek tot vergoeding van proceskosten afgewezen.