ECLI:NL:RBNHO:2022:3440

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 april 2022
Publicatiedatum
20 april 2022
Zaaknummer
C/15/321119 / FA RK 21-4908
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:207 BWArt. 1:5 lid 7 BWArt. 1:20e lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gerechtelijke vaststelling vaderschap overleden man

Verzoeker heeft bij de rechtbank Noord-Holland een verzoek ingediend tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de overleden man, op grond van artikel 1:207 BW Pro. Dit verzoek volgde nadat bleek dat het familierechtelijke vaderschap niet was geregistreerd, ondanks dat de man altijd een vaderrol vervulde.

Tijdens de mondelinge behandeling hebben verzoeker en de moeder verklaard dat de man de enige seksuele partner van de moeder was in de conceptieperiode en dat zij samen besloten het kind te houden. De moeder heeft het verzoek niet weersproken. Tevens zijn schriftelijke verklaringen van familieleden van de man overgelegd waaruit blijkt dat er binnen de familie geen twijfel bestond over het vaderschap.

De rechtbank oordeelt dat hiermee vaststaat dat de man de verwekker is van verzoeker en wijst het verzoek toe. Tevens wordt vastgesteld dat verzoeker de geslachtsnaam van de man draagt. Het verzoek tot uitvoerbaar bij voorraad verklaring wordt afgewezen. De beschikking is op 20 april 2022 in het openbaar uitgesproken door mr. D.H. Steenmetser-Bakker.

Uitkomst: De rechtbank stelt het vaderschap van de overleden man jegens verzoeker vast.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
gerechtelijke vaststelling ouderschap van de man
zaak-/rekestnr.: C/15/321119 / FA RK 21-4908
beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 20 april 2022
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: [verzoeker] ,
advocaat: mr. R. Bleijendaal, kantoorhoudende te Heerhugowaard,
strekkende tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van:
[de man],
overleden op [overlijdensdatum] te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de man.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna mede te noemen: de moeder.

1.Procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van verzoeker, ingekomen op 11 oktober 2021;
- het gewijzigd verzoek van verzoeker, ingekomen op 16 december 2021.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 22 maart 2022 in aanwezigheid van verzoeker, bijgestaan door mr. R. Bleijendaal, en de moeder.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is bij de rechtbank ingekomen een tweetal brieven van de advocaat van verzoeker van 29 maart 2022 en 4 april 2022.

2.Feiten en omstandigheden

2.1.
Verzoeker is op [geboortedatum] te [plaats] geboren als kind van de moeder.
2.2.
De man is op [overlijdensdatum] te [plaats] overleden.
2.3.
[verzoeker] en de moeder hebben de Nederlandse nationaliteit. De man had eveneens de Nederlandse nationaliteit.

3.Verzoek

3.1.
Het verzoek strekt, na wijziging van het verzoek, tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man als bedoeld in artikel 1:207 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
3.2.
Ter onderbouwing van het verzoek heeft [verzoeker] gesteld dat na het overlijden van de man is gebleken dat hun familierechtelijke betrekking niet staat geregistreerd. [verzoeker] wenst (emotionele) erkenning van het vaderschap van de man en dat dit alsnog juridisch wordt vastgelegd.

4.Beoordeling

4.1.
In artikel 1:207 lid 1 sub b BW Pro is bepaald dat het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, op grond dat deze de verwekker is van het kind of op grond dat deze als levensgezel van de moeder ingestemd heeft met een daad die de verwekking van het kind tot gevolg kan hebben gehad, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van het kind.
4.2.
Uit de gedingstukken en hetgeen [verzoeker] en de moeder tijdens de mondelinge behandeling hebben verklaard, is het volgende gebleken. De moeder heeft het verzoek niet weersproken. Zij heeft verklaard dat zij in de conceptieperiode enkel seksueel contact met de man heeft gehad en dat zij samen met de man heeft besloten het kind te houden, waarna [verzoeker] is geboren. De man heeft altijd een vaderrol vervuld in het leven van [verzoeker] en zij hadden een hechte band met elkaar. Binnen de familie heeft ook nooit enige twijfel bestaan over het vaderschap van de man met betrekking tot [verzoeker] , zoals blijkt uit de overgelegde schriftelijke verklaringen van de zussen en broer van de man. De rechtbank is van oordeel dat met het bovenstaande is komen vast te staan dat de man de verwekker is van [verzoeker] , zodat het verzoek tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap van de man zal worden toegewezen.
4.3.
Op grond van art. 1:5 lid 7 BW Pro heeft [verzoeker] ervoor gekozen de geslachtsnaam [geslachtsnaam] te dragen.
4.4.
Nu de aard van de zaak zich verzet tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van de beschikking, zal de rechtbank het hiertoe strekkend verzoek afwijzen.

5.Beslissing:

De rechtbank:
5.1.
stelt vast het ouderschap van [de man] , geboren op [geboortedatum] te Aruba, Nederlandse Antillen, en overleden op [overlijdensdatum] te [plaats] , betreffende het kind:
- [verzoeker] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ;
5.2.
stelt vast dat de geslachtnaam van het kind “ [geslachtsnaam] ” zal zijn;
5.3.
draagt de griffier - op grond van artikel 1:20e lid 1 BW - op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking -en indien daartegen geen hoger beroep is ingesteld- een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [gemeente] .
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, in tegenwoordigheid van
T. Jelierse, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2022.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.