ECLI:NL:RBNHO:2022:3577

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 april 2022
Publicatiedatum
22 april 2022
Zaaknummer
C/15/320168 / FA RK 21-4386
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:251a BWArt. 1:253n BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging gezamenlijk gezag en omgangsregeling wegens belangen minderjarige met autisme

De rechtbank Noord-Holland heeft op 20 april 2022 uitspraak gedaan in een zaak over het gezamenlijk gezag en de omgangsregeling van een minderjarige met een stoornis in het autistisch spectrum. De vader heeft na het lezen van de mening van de minderjarige besloten geen contact meer te zoeken en gaat akkoord met het eenhoofdig gezag voor de moeder.

De rechtbank overweegt dat het onwenselijk is dat de vader het contact heeft verbroken, zeker omdat de minderjarige dit niet wil en behoefte heeft aan contact zonder aanwezigheid van de partner van de vader. De omgangsregeling uit 2020 wordt daarom beëindigd omdat deze strijdig is met het belang van het kind.

De moeder krijgt het eenhoofdig gezag toegewezen op grond van artikel 1:253n BW, omdat er sprake is van een onaanvaardbaar risico dat het kind klem raakt tussen de ouders en geen verbetering wordt verwacht. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en het hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: Het gezamenlijk gezag wordt beëindigd en de moeder krijgt het eenhoofdig gezag; de omgangsregeling wordt beëindigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Haarlem
omgang, zorgregeling, gezag en hoofdverblijfplaats
zaak-/rekestnr.: C/15/320168 / FA RK 21-4386
Beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 20 april 2022
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. M.E. Vande Voort, kantoorhoudende te Bingelrade,
tegen
[de vader],
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
--betreffende--
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] .
hierna mede te noemen: de minderjarige.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de beschikking van deze rechtbank van 25 november 2021 en de daarin vermelde stukken;
- het F-formulier, met bijlagen, van de advocaat van de moeder van 30 november 2021;
- de brief van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 11 maart 2022.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Bij beschikking van 25 november 2021 is de beslissing op de verzoeken van de moeder tot wijziging van het gezag en de zorg/omgangsregeling pro forma aangehouden en is aan de Raad verzocht een onderzoek te verrichten.
2.2.
De moeder heeft de rechtbank bericht dat de vader na de beschikking van 25 november 2021 alle contact met [de minderjarige] heeft verbroken, in die zin dat hij [de minderjarige] volledig heeft geblokkeerd op zijn telefoon en ook via facebook. De vader heeft haar advocaat een e-mail gestuurd, tevens gericht aan de rechtbank en de Raad, waarin hij schrijft dat hij na grondig lezen van de stukken en met nadruk op het stuk “mening van [de minderjarige] ” heeft besloten alsnog akkoord te gaan met de verzoeken van de moeder en dat hij het contact met [de minderjarige] voor nu verbreekt. De moeder geeft aan dat het haar veel verdriet doet om te zien dat [de minderjarige] dit zeer veel pijn doet en zich afgewezen voelt. [de minderjarige] heeft volgens de moeder heel moedig zijn gevoelens geuit en aangegeven wat hem dwars zit, zodat er aan gewerkt kan worden. De vader reageert in de ogen van de moeder op een onvolwassen manier en legt de schuld bij de moeder, in plaats van naar zichzelf te kijken.
2.3.
De Raad heeft de rechtbank op 11 maart 2022 bericht van mening te zijn dat er geen redenen zijn om onderzoek te doen naar de onderzoeksvragen, nu de vader bij herhaling aangeeft welke besluiten hij heeft genomen en dat hij tot heden bij deze besluiten is gebleven. Uit dit korte verslag van de Raad blijkt dat de vader aangeeft nog steeds achter de besluiten te staan die hij eerder heeft genomen; namelijk dat hij op dit moment geen contact zal zoeken met zijn zoon en dat hij ermee akkoord is dat de moeder het eenhoofdig gezag zal krijgen. De vader heeft bij de Raad aangegeven dat hij de woorden van [de minderjarige] , zoals de rechtbank deze in de beschikking van 25 november 2021 heeft weergegeven, als schrikbarend heeft ervaren en dat hij hiervan enorm verdrietig is geworden. Hij las woorden waarin hij zich niet herkende. De vader heeft nu het gevoel dat hij in een strijd komt met [de minderjarige] en dat hij die strijd niet wil; niet voor zichzelf en ook niet voor [de minderjarige] . Hij ervaart al zoveel strijd met de moeder van [de minderjarige] en die strijd mag er aldus de vader niet zijn met zijn zoon.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat het onwenselijk is dat de vader het contact met [de minderjarige] heeft verbroken, zeker omdat [de minderjarige] heeft aangegeven dat niet te willen. [de minderjarige] heeft er behoefte aan om soms alleen met zijn vader iets te doen, zonder dat [partner van de vader] daarbij aanwezig is. De vader laat hiermee zien dat hij de woorden van [de minderjarige] niet in het juiste perspectief weet te plaatsen. Zoals in de beschikking van 25 november 2021 is overwogen had een gesprek samen met Jeugdhulp tussen [de minderjarige] en de vader en [partner van de vader] kunnen leiden tot voor [de minderjarige] veilige en onbelaste afspraken. Nu de vader hieraan niet wenst mee te werken ziet de rechtbank zich voor geen andere keuze geplaatst dan de omgangsregeling zoals deze bij beschikking van 29 januari 2020 is bepaald te wijzigen, in die zin dat zal worden bepaald dat er geen tweewekelijkse weekendomgangs-regeling tussen de vader en [de minderjarige] zal gelden. Voldoende is immers, gelet op het voorgaande, gebleken, dat die regeling strijdig is met de belangen van [de minderjarige] .
2.5.
Het verzoek van de moeder om haar alleen met het zogenoemd eenhoofdig gezag te belasten zal worden toegewezen. Op grond van artikel 1:253n, tweede lid, van het BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, van het BW van overeenkomstige toepassing. Hierin is bepaald dat de rechter het gezamenlijk gezag kan beëindigen en één van beide ouders met het gezag over een kind kan belasten, indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of indien dit anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Gebleken is dat tussen de moeder en de vader beslissingen over de behandeling van [de minderjarige] - die een stoornis heeft in het autistisch spectrum en op speciaal onderwijs zit - in het verleden moeizaam tot stand zijn gekomen. Nu de vader de zeggenschap over [de minderjarige] uitdrukkelijk geheel neerlegt bij de moeder, is de rechtbank van oordeel dat het anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is dat de moeder met het eenhoofdig gezag wordt belast.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
bepaalt dat het gezamenlijk gezag van partijen over de minderjarige
[de minderjarige] :
- [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
wordt beëindigd en dat de moeder alleen het gezag over voornoemde minderjarige toekomt;
3.2.
bepaalt dat de in de beslissing van deze rechtbank van 29 januari 2020 vastgelegde omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [de minderjarige] als beëindigd wordt beschouwd;
3.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.W.M. de Wolf MSM, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van E. Dijkstra als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2020.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.