Art. 7 lid 1 sub a Verordening (EG) nr. 861/2007Art. 8 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 25 Rv
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenbeschikking over bevoegdheid en rechtsgronden bij restitutievordering geannuleerde vlucht
De passagier heeft een vordering ingesteld tegen de vervoerder Deutsche Lufthansa AG wegens niet-volledige terugbetaling van de reissom na annulering van een vlucht. De passagier vordert € 733,14 plus rente en incassokosten. De vervoerder betwist de vordering primair op grond van niet-ontvankelijkheid wegens vermeende ontbrekende volmacht en subsidiariteit wegens onrechtmatigheid van de vordering voor een andere passagier.
De kantonrechter constateert dat onduidelijk is of de Nederlandse rechter, en in het bijzonder de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen, omdat niet duidelijk is wat de plaats van uitvoering van de verbintenis is. Partijen hebben hierover geen standpunt ingenomen. De passagier wordt daarom in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten.
Daarnaast wordt de passagier verzocht te reageren op het verweer van de vervoerder en duidelijkheid te verschaffen over de totaal betaalde reissom en wie de tickets heeft betaald. Tevens wordt de passagier in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de kantonrechter om ambtshalve de rechtsgrondslag aan te vullen met artikel 8 vanPro Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder krijgt vervolgens ook gelegenheid om schriftelijk te reageren. De kantonrechter houdt iedere verdere beslissing aan.
Uitkomst: De kantonrechter houdt de beslissing aan en geeft partijen gelegenheid zich schriftelijk uit te laten over bevoegdheid en rechtsgronden.
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9434661 \ CV FORM 21-6181
Uitspraakdatum: 4 mei 2022
Beschikking van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
verzoekende partij
verder te noemen: de passagier
gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V.
tegen
de buitenlandse rechtspersoon
Deutsche Lufthansa AG
gevestigd te Keulen (Duitsland)
verwerende partij
verder te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. E.A. Pluijm
1.Het procesverloop
Dit verloop blijkt uit:
het vorderingsformulier (formulier A), ingekomen ter griffie op 30 augustus 2021;
het antwoordformulier (formulier C), ingekomen ter griffie op 25 november 2021.
2.De feiten
2.1.
De passagier heeft tickets gekocht voor een vlucht van de vervoerder.
2.2.
De vlucht is geannuleerd.
3.Het verzoek en het verweer
3.1.
De passagier verzoekt de vervoerder te veroordelen tot betaling van:
- € 733,14, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2021 tot aan de dag van betaling van de hoofdsom; - € 109,97 aan buitengerechtelijke incassokosten; - de proceskosten.
3.2.
De passagier stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vluchten van hem en zijn partner gehouden is de betaalde reissom terug te betalen. Volgens de passagier heeft de vervoerder slechts een deel van de totaal betaalde reissom terugbetaald en resteert er nog een bedrag van € 733,14.
3.3.
De vervoerder betwist de verschuldigdheid van het verzochte. Hij voert primair aan dat de passagier niet-ontvankelijk is. Volgens de vervoerder is DAS niet gevolmachtigd om de passagier in de onderhavige procedure te vertegenwoordigen, nu geen volmacht noch een kopie van het paspoort van de passagier is overgelegd. Subsidiair voert de vervoerder aan dat de passagier niet het gedeelte van de ticketprijs van een andere passagier ([betrokkene]) kan terugvorderen, nu [betrokkene] geen procespartij is en niet gebleken is dat de vordering van [betrokkene] aan de passagier is overgedragen. Voor zover het verzoek ziet op gedeeltelijke restitutie van de reissom van [betrokkene], dient het verzoek daarom te worden afgewezen. Meer subsidiair voert de vervoerder aan dat de hij de volledige ticketprijs reeds voor het aanhangig maken van deze procedure reeds heeft voldaan aan DAS. Uiterst subsidiair voert de vervoerder aan dat in het geval van toewijzing van de hoofdsom, de verzochte buitengerechtelijke kosten moeten worden afgewezen dan wel verlaagd.
4.De beoordeling
4.1.
Ten aanzien van de vraag of de Nederlandse rechter, meer in het bijzonder de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, bevoegdheid toekomt heeft de passagier in het A-formulier aangekruist dat hij dit gerecht bevoegd acht vanwege de plaats van uitvoering van de desbetreffende verbintenis. Onduidelijk is echter wat in dit geval als plaats van uitvoering van de desbetreffende verbintenis moet worden aangemerkt. Partijen hebben omtrent dit punt geen stelling ingenomen. Daarbij geldt dat het niet aan de kantonrechter is om in de producties op zoek te gaan naar feiten waar een partij zich mogelijk op wil beroepen. De kantonrechter kan daarom niet vaststellen of hij in deze procedure (internationaal en relatief) bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. De passagier zal daarom in de gelegenheid worden gesteld om zich hierover uit te laten.
4.2.
Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat in deze specifieke situatie een goede procesorde met zich meebrengt dat de passagier nog de gelegenheid krijgt om op het verweer van de vervoerder te reageren middels een schriftelijke reactie. In het kader van de proceseconomie zal de kantonrechter de passagier daartoe gelijktijdig in de gelegenheid stellen. Daarbij wordt de passagier ingevolge artikel 7, lid 1 sub a van de Verordening (EG) nr. 861/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 tot vaststelling van een Europese procedure voor geringe vorderingen verzocht duidelijkheid te verschaffen over de totaal betaalde reissom en over de vraag wie de tickets heeft betaald.
4.3.
Partijen zullen voorts in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de grondslag van het verzoek. De vervoerder gaat er blijkens het verweerschrift vanuit dat de passagier zijn verzoek baseert op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening). De passagier zelf echter heeft deze grondslag niet gesteld (en ook geen andere grondslag). Op grond van artikel 25 RvPro is de kantonrechter verplicht tot ambtshalve aanvulling van de rechtsgronden. De kantonrechter is voornemens dat te doen, in die zin dat de passagier zijn verzoek baseert op (artikel 8 vanPro) de Verordening. Alvorens over te gaan tot aanvulling van de rechtsgronden zoals hiervoor is vermeld, zal de kantonrechter de passagier in de gelegenheid stellen om zich uit te laten over de voorgenomen aanvulling.
4.4.
De kantonrechter merkt op dat voor zover de passagier in zijn reactie wenst te verwijzen naar de overgelegde producties bij het Aformulier, niet alle producties goed leesbaar zijn door de manier waarop deze producties zijn gekopieerd of geprint. De vervoerder zal vervolgens nog in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijk te reageren.
4.5.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
5.De beslissing
De kantonrechter:
5.1.
stelt de passagier in de gelegenheid om uiterlijk vóór 1 juni 2022 schriftelijk te reageren zoals bedoeld in rechtsoverweging 4.1, 4.2 en 4.3, waarna de vervoerder een termijn zal worden gegeven om hierop te reageren;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open