ECLI:NL:RBNHO:2022:3923
Rechtbank Noord-Holland
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Wrakingsverzoek afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en gebrek aan vooringenomenheid rechter
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter in een kort geding, stellende dat de rechter partijdig was vanwege gedragingen tijdens een hybride zitting op 4 april 2022. Het verzoek werd ingediend op 11 april 2022, een week na de zitting.
De wrakingskamer oordeelde dat het verzoek te laat was ingediend, aangezien een wrakingsverzoek volgens artikel 37 Rv Pro direct moet worden gedaan zodra de feiten bekend zijn. Verzoekers hadden hun advocaat al op 6 april geïnformeerd, maar wachtten tot 11 april met indienen. Ook bij minder strenge eisen voor niet-juridische professionals was het verzoek niet tijdig.
Ten overvloede beoordeelde de wrakingskamer de inhoudelijke gronden. De vermeende vooringenomenheid betrof onder meer het vooraf zichtbaar zijn van de wederpartij via telehoor, een voorstel van de rechter om Google te raadplegen, een opmerking over de website, het niet stellen van vragen en het bedanken van de wederpartij. De kamer oordeelde dat deze gedragingen gebruikelijk waren bij hybride zittingen en geen schijn van partijdigheid opleverden.
De wrakingskamer concludeerde dat noch afzonderlijk noch samen de feiten een zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid vormden. Het verzoek werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en inhoudelijk afgewezen. De procedure in de hoofdzaak werd voortgezet in de stand van het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard en inhoudelijk afgewezen wegens gebrek aan vooringenomenheid.