De passagier vorderde compensatie van €250 wegens een vertraging van meer dan drie uur op zijn vlucht van Londen Gatwick naar Amsterdam Schiphol op 24 juli 2019. De vervoerder easyJet verweerde zich met het argument dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk een brandstofstoring op Schiphol, waardoor toestellen met onvoldoende brandstof niet konden vertrekken en er minder plek was voor inkomende vluchten.
De kantonrechter stelde vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was en dat de passagier inderdaad met meer dan drie uur vertraging aankwam, wat in principe een compensatieplicht oplevert. Echter, de vervoerder kon aantonen dat de vertraging het gevolg was van een besluit van de luchtverkeersleiding, een buitengewone omstandigheid volgens de Verordening (EG) nr. 261/2004.
De rechtbank oordeelde dat de gewijzigde CTOT-tijden door de luchtverkeersleiding werden opgelegd en dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had getroffen om de vertraging te beperken. Daarom werd de vordering afgewezen en de passagier veroordeeld tot betaling van de proceskosten.