ECLI:NL:RBNHO:2022:4312

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 april 2022
Publicatiedatum
17 mei 2022
Zaaknummer
9251641
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering compensatie vertraagde vlucht wegens gemiste overstap

Airhelp vorderde namens een passagier compensatie van Deutsche Lufthansa wegens vertraging van een vlucht van Belgrado via München naar Amsterdam op 16 oktober 2019. De passagier miste haar aansluitende vlucht door vertraging van het eerste deel van de reis. Airhelp baseerde haar vordering op Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder betwistte de vordering en stelde dat Airhelp niet ontvankelijk was vanwege onduidelijke cessie en dat de vertraging niet leidde tot het missen van de overstap. De kantonrechter oordeelde dat Airhelp ontvankelijk was en dat de stelplicht voldoende was vervuld. De kern van het geschil betrof de minimale overstaptijd (MCT) in München.

De rechtbank stelde vast dat de MCT 35 minuten bedraagt en dat de passagier 38 minuten overstaptijd had, waardoor de overstap haalbaar was. De verantwoordelijkheid voor tijdige gate-melding lag bij de passagier. De vertraging op de eindbestemming was niet het gevolg van de eerste vluchtvertraging. De vordering werd daarom afgewezen. Airhelp werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wordt afgewezen omdat de passagier zelf verantwoordelijk is voor het missen van de overstap.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9251641 \ CV EXPL 21-3631
Uitspraakdatum: 26 april 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Airhelp Limited
gevestigd te Hong Kong
eiseres
hierna te noemen: Airhelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa Aktiengesellschaft
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. E.A. Pluijm

1.Het procesverloop

1.1.
Airhelp heeft bij dagvaarding van 21 mei 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Airhelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Belgrado Nikola Tesla Airport (Servië) via Franz Josef Strauss Airport München (Duitsland) naar Amsterdam Schiphol Airport op 16 oktober 2019, hierna: de vlucht.
2.2.
Het eerste deel van de vlucht is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft haar aansluitende vlucht gemist en is omgeboekt naar een alternatieve vlucht.
2.3.
Airhelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
Airhelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 16 oktober 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
Airhelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Airhelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 250,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert daartoe primair aan dat Airhelp niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering omdat zij niet bevoegd is om over het (vermeende) vorderingsrecht te beschikken. Voor zover Airhelp wel ontvankelijk is voert de vervoerder aan dat de vordering moet worden afgewezen omdat Airhelp niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht. Voorts betoogt de vervoerder dat de vertraging van vlucht LH1723 de passagier niet heeft verhinderd om de overstap op haar aansluitende vlucht LH2306 te kunnen halen. Het is dan ook aan de passagier zelf te wijten dat zij haar overstap heeft gemist, aldus de vervoerder. Ten slotte voert de vervoerder aan dat de vertraging van vlucht LH1723 het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
De vervoerder betoogt primair dat Airhelp niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vordering. Hij voert daartoe aan dat de akte van cessie onleesbaar is, en dat daardoor niet duidelijk is welke vordering wordt overgedragen. De kantonrechter volgt deze stelling niet. De akte van cessie is duidelijk leesbaar en voldoet aan alle vereisten die de wet daaraan stelt. De passagier heeft haar vermeende vorderingsrecht dan ook rechtsgeldig overgedragen aan Airhelp, zodat Airhelp ontvankelijk is in haar vordering.
5.3.
De vervoerder voert subsidiair aan dat Airhelp niet heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht. De kantonrechter merkt op dat Airhelp bij repliek heeft gesteld dat de passagier is omgeboekt naar vlucht LH2308 waarmee zij met bijna 4 uur vertraging op haar eindbestemming is gearriveerd. De vervoerder heeft dit niet betwist. Hiermee is het gebrek in de stelplicht van Airhelp hersteld. De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder hierdoor niet in zijn procesbelang is geschaad, nu de vervoerder de gelegenheid had hierop bij dupliek te reageren en hij ook al in de conclusie van antwoord inhoudelijk verweer heeft gevoerd tegen de vordering, welk verweer niet afhankelijk is van de precieze aankomsttijd van de passagier op de eindbestemming.
5.4.
Meer subsidiair betoogt de vervoerder dat het aan de passagier zelf te wijten is dat zij de overstap op haar aansluitende vlucht heeft gemist. Niet in geschil is dat vlucht LH1723 met 2 minuten vertraging in München is aangekomen. Het geschil draait in de kern om de duur van de “
Minimum Connecting Time” (hierna: MCT) te München. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder, onder verwijzing naar een uitdraai uit het reserveringssysteem “Amadeus”, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de MCT te München 35 minuten bedraagt. In het oorspronkelijke vluchtschema van de passagier had de vervoerder een overstaptijd van 40 minuten ingepland. Gelet op het voorgaande is vast komen te staan dat de passagier op de luchthaven van München 38 minuten overstaptijd had, zodat de overstap, gelet op de minimale overstaptijd van de luchthaven, mogelijk was. Het is de verantwoordelijkheid van de passagier om zich tijdig bij de gate te melden, drukte op de luchthaven doet daar niets aan af. De vertraging op de eindbestemming is dan ook niet het gevolg van de vertraagde uitvoering van het eerste deel van de vlucht. De vordering ligt dan ook voor afwijzing gereed.
5.5.
De proceskosten komen voor rekening Airhelp, omdat deze ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.
5.6.
Ook de nakosten komen voor rekening van Airhelp, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Airhelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 150,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt Airhelp tot betaling van € 37,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter