Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2022 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
- de lening wordt verstrekt voor een periode van drie maanden (leningperiode);
- gedurende de leningperiode is geen rente verschuldigd;
- [naam 5] en [naam 6] verklaren onherroepelijk hoofdelijk garant te staan voor nakoming door [bedrijf 1] van de verplichtingen uit de overeenkomst;
- als vergoeding voor het verstrekken van de lening verlenen [naam 5] en [naam 6] ieder aan [naam 1] om niet een optierecht tot het verkrijgen van een zodanig aantal aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ) als overeenkomt met 0,25% van de onderliggende waarde van [bedrijf 2] vertegenwoordigd door de deelnemingen en andere belangen die die vennootschap houdt;
- de lening dient binnen drie dagen na ommekomst van de periode van drie maanden onmiddellijk en ineens te worden afgelost;
- indien de lening niet of niet geheel is afgelost aan het einde van de leningperiode zal er een rente zijn verschuldigd van 12% per jaar;
- ter zekerheid van de nakoming van hun verplichtingen tot betaling vestigen [naam 5] en [naam 6] elk een eerste pandrecht aan [naam 1] op in totaal 10% van de door hen gehouden aandelen in het kapitaal van [bedrijf 2] . Voorts zal [bedrijf 1] op eerste verzoek van [naam 1] een eerste pandrecht vestigen op alle alsdan door haar gehouden deelnemingen.
- De debiteur ( [bedrijf 1] ) was ten tijde van de overdracht van de economische eigendom van de vordering reeds langere periode in verzuim met betrekking tot betalen van aflossing en rente;
- [naam 1] , directeur grootaandeelhouder van eiseres, heeft in mei 2014 in een Whatsapp bericht bevestigd dat hij zich zorgen maakte over de aflossing van het openstaande bedrag van de vordering;
- Vanaf 12 juni 2014 wordt naast 12% rente, € 1.000 boete per dag berekend over de vordering waardoor de oorspronkelijke vordering van € 50.000 per 21 augustus 2013 op 20 november 2014 was opgelopen tot € 280.534. Dit adstrueert naar het oordeel van de rechtbank dat sprake was van een zeer risicovolle vordering;
- Invorderingsmaatregelen ten aanzien van de vordering door [naam 1] op 20 november 2014 hebben ondanks sommatie niet tot enige betaling geleid;
- Eiseres heeft ter zitting bevestigd ervan op de hoogte te zijn geweest dat [bedrijf 1] ernstige liquiditeitsproblemen had;
- Eiseres beroept zich voor de onderbouwing van de waarde van de vordering met name op de door haar gestelde waarde van € 290.202 voor de aandelen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] (en de onderliggende belangen) die [bedrijf 1] hield. Daarvoor wordt door eiseres verwezen naar een waardering gemaakt door de firma [bedrijf 7] die in haar rapport aangeeft dat “the calculations and outcomes presented in this document are based on assumptions and have a highly indicative nature”. Dit betekent dat de door eiseres gestelde waarde slechts beperkt wordt onderbouwd met dit rapport omdat de in dit rapport vermelde waarde slechts indicatief is en gebaseerd op veronderstellingen;
- Ten aanzien van het in november en december 2014 door [naam 1] gelegde beslag op de aandelen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] wist eiseres, althans had zij mede gelet op het kennisniveau van haar directeur grootaandeelhouder behoren te weten, dat zo lang de blokkeringsregeling niet was opgeheven deze beslagen geen titel voor uitwinning opleverden, zodat de zekerheden die eiseres op grond hiervan had beperkte waarde hadden;
- Eiseres heeft ter zitting bevestigd dat zij geen inzicht had in de financiële situatie van de debiteur van de vordering ( [bedrijf 1] ) en daar ook geen onderzoek naar te hebben verricht. Aannemelijk is dat eiseres geen onderzoek heeft verricht naar de financiële positie van de garantstellers voor de vordering;
- [bedrijf 1] is binnen een jaar na overdracht van de vordering op [bedrijf 1] aan eiseres failliet verklaard en er is sprake van een zeer aanzienlijk boedeltekort. De rechtbank acht aannemelijk dat de financiële positie van [bedrijf 1] ten tijde van de overdracht van de vordering niet wezenlijk anders was. Het enkele feit dat ten tijde van het faillissement gesproken zou zijn over een verkoop van de aandelen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] voor € 500.000 respectievelijk € 300.000 is daarvoor, in het licht van het zeer aanzienlijke boedeltekort, onvoldoende.