De rechtbank Noord-Holland heeft op 25 mei 2022 uitspraak gedaan in een zaak betreffende ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde is veroordeeld voor verduistering van een bedrag van €164.365,- dat zij uit hoofde van haar dienstbetrekking onder zich had. De officier van justitie vorderde ontneming van dit bedrag.
Tijdens de terechtzitting op 12 mei 2022 werd het standpunt van de veroordeelde en haar raadsman besproken, waarbij zij een lager bedrag van iets meer dan €100.000,- als wederrechtelijk verkregen voordeel stelden. De rechtbank baseerde haar oordeel echter op het vonnis in de strafzaak en de daarbij gevoegde bewijsmiddelen, en stelde het bedrag vast op €164.365,-.
De rechtbank achtte aannemelijk dat de veroordeelde over voldoende financiële draagkracht beschikt om aan de betalingsverplichting te voldoen en wees erop dat eventuele betalingen aan de benadeelde partij in de executiefase op het ontnemingsbedrag in mindering zullen worden gebracht. De maatregel tot ontneming is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
De rechtbank bepaalde tevens de duur van de gijzeling die kan worden gevorderd bij niet-nakoming op maximaal 1080 dagen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Holland te Alkmaar.