Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Het procesverloop
2.De feiten
3.De vordering
4.Het verweer en de tegenvordering
5.De beoordeling
duurzame gemeenschappelijke huishouding
Rechtbank Noord-Holland
De eiser, inwoner van een vierkamerwoning die verhuurd werd aan zijn overleden ouders, verzocht de voortzetting van de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. Hij stelde dat hij sinds 2010 zijn hoofdverblijf in de woning had en met zijn ouders een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde.
De verhuurder, Pré Wonen, betwistte de ontvankelijkheid van de vordering en voerde aan dat de eiser onvoldoende had onderbouwd dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Tevens stelde zij dat de eiser niet over een huisvestingsvergunning beschikte, wat een verplichte afwijzingsgrond is.
De kantonrechter oordeelde dat de eiser ontvankelijk was, gelet op de overgelegde overlijdensakte van de moeder en de inschrijving in de BRP. Echter, de eiser had onvoldoende concrete feiten aangevoerd om het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te tonen. Daarnaast kon de eiser geen huisvestingsvergunning overleggen, wat de toewijzing van de vordering verhindert.
De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst werd daarom afgewezen. De tegenvordering van Pré Wonen tot ontruiming werd voorwaardelijk toegewezen, onder de voorwaarde dat het vonnis onherroepelijk wordt. De dwangsom werd gematigd en de proceskosten werden deels toegewezen en deels gecompenseerd.
Uitkomst: Verzoek tot voortzetting huurovereenkomst afgewezen wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding en huisvestingsvergunning; tegenvordering tot ontruiming voorwaardelijk toegewezen.