Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2022:4978

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
9 juni 2022
Zaaknummer
15-870508-15 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 511c SvArt. 36e SrArt. 6:4:18 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ontnemingszaak na schikking ex artikel 511c Sv

De officier van justitie vorderde op 10 september 2019 ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €722.389,68 van de verdachte. De zaak werd aangebracht bij de rechtbank Noord-Holland, waar de verdachte werd opgeroepen voor een zitting op 12 oktober 2021. Na behandeling van onderzoeksverzoeken werd het onderzoek geschorst en later hervat op 8 april 2022.

Kort voor aanvang van deze zitting werd een schriftelijke schikking getroffen tussen de officier van justitie en de verdachte op grond van artikel 511c Sv. De verdachte deed afstand van diverse in beslag genomen voertuigen, luxe goederen en geldbedragen, die werden overgedragen aan de Nederlandse Staat. Tevens zag de verdachte af van strafvorderlijke vergoedingen en fiscale aftrekmogelijkheden.

De rechtbank stelde vast dat aan de voorwaarden van de schikking was voldaan en dat de ontnemingszaak daardoor van rechtswege is geëindigd conform artikel 6:4:18 Sv Pro. De rechtbank bevestigde dat een ontnemingsprocedure normaliter met een rechterlijke uitspraak wordt afgesloten, tenzij een schikking ex artikel 511c Sv is getroffen en nagekomen.

De rechtbank besloot daarom de ontnemingszaak tegen de verdachte als beëindigd te beschouwen, zonder verdere rechterlijke uitspraak over de ontnemingsvordering.

Uitkomst: De ontnemingszaak is van rechtswege beëindigd na het sluiten en nakomen van een schikking ex artikel 511c Sv.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, locatie Haarlemmermeer
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-870508-15 (ontneming)
Uitspraakdatum: 22 april 2022
Tegenspraak
Dit vonnis heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie van 10 september 2019, strekkende tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum en plaats] ,
uit andere hoofde gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Heerhugowaard en aldaar ingeschreven op het adres [adres] .

1.Vordering en procesverloop

In de schriftelijke vordering van 10 september 2019 heeft de officier van justitie gevorderd dat de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, zal vaststellen op € 722.389,68 en aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van dat bedrag ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie heeft de schriftelijke vordering aanhangig gemaakt met de oproeping van de verdachte om te verschijnen op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 oktober 2021. Tijdens deze zitting heeft de rechtbank onderzoekswensen van de verdediging behandeld en deze verzoeken afgewezen. Het onderzoek is vervolgens voor onbepaalde tijd geschorst.
Het onderzoek op de zitting is vervolgens hervat en opnieuw aangevangen op de zitting van 8 april 2022. Daarbij zijn gehoord de officier van justitie, mr. M. Kubbinga, alsmede de verdachte en zijn raadsman, mr. A.M.J. Comans, advocaat te Utrecht.

2.Schikking ex artikel 511c Sv

De officier van justitie heeft op de zitting medegedeeld dat zij kort voor aanvang van de zitting, op 8 april 2022, met de verdachte een schriftelijke schikking heeft getroffen op grond van het bepaalde in artikel 511c van het Wetboek van Strafvordering (Sv) en zij heeft het originele exemplaar daarvan aan de rechtbank overgelegd. Deze schikking is ondertekend door zowel de officier van justitie als de verdachte en houdt in dat de verdachte ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel afstand doet van de in de schikking genoemde, aan hem toebehorende in beslag genomen voorwerpen (zijnde verschillende voertuigen, diverse luxe goederen en twee geldbedragen) en deze overdraagt aan de Nederlandse Staat. Daarnaast is overeengekomen dat de verdachte afziet van iedere mogelijke aanspraak op strafvorderlijke vergoeding gebaseerd op de strafzaak met bovenstaand parketnummer uit welke hoofde dan ook, waaronder rentevergoeding. Tot slot verklaart de verdachte in de schikking uitdrukkelijk af te zien van ieder mogelijk bestaand recht op een fiscale aftrekmogelijkheid en zich aan deze verklaring te zullen houden als de Belastingdienst zich op deze verklaring beroept.
De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht gelet op deze schikking te bepalen dat de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.

3.Beoordeling

De rechtbank heeft vastgesteld dat de officier van justitie een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv met de verdachte is aangegaan tot overdracht aan de Nederlandse staat van diverse, aan de verdachte toebehorende voorwerpen ter ontneming van het ingevolge artikel 36e Sr voor ontneming vatbare wederrechtelijk verkregen voordeel. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat aan de termen van die schikking is voldaan nu de verdachte met het ondertekenen van het schikkingsvoorstel uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van de in beslag genomen, aan hem toebehorende voorwerpen, zoals in de schikking is overeengekomen.
In het stelsel van strafvordering ligt besloten dat een eenmaal aangevangen ontnemingsprocedure wordt afgesloten met een rechterlijke uitspraak. Een uitzondering hierop kan alleen worden aangenomen in die gevallen waarin de wet expliciet regelt dat deze hoofdregel niet van toepassing is. In het geval van een ontnemingsvordering geldt deze uitzondering wanneer een schikking als bedoeld in artikel 511c Sv tot stand is gekomen en aan de termen van die schikking door de verdachte is voldaan. In artikel 6:4:18 Sv Pro is bepaald dat door voldoening aan die termen van de schikking, wanneer de ontnemingsvordering al is ingediend, zoals hier het geval, de zaak van rechtswege is geëindigd. Daarom zal de rechtbank verstaan dat de ontnemingszaak tegen de verdachte van rechtswege is geëindigd.

4.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing:
Verstaat dat
de ontnemingszaak van rechtswege is geëindigd.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. D.D.M. Hazeu, voorzitter,
mr. J.J.M. Uitermark en mr. C.A.J. van Yperen, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier, mr. P.H. Boersma,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 22 april 2022.
De voorzitter, mr. D.D.M. Hazeu, de jongste rechter, mr. C.A.J. van Yperen, en de griffier, mr. P.H. Boersma, zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.