ECLI:NL:RBNHO:2022:6205

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 juli 2022
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
9376731 \ CV EXPL 21-5261
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering buitengerechtelijke incassokosten na vluchtannulering wegens buitengewone omstandigheid

De passagiers sloten een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Kos die geannuleerd werd vanwege een storing in het tanksysteem op Schiphol, een buitengewone omstandigheid. Zij vorderden compensatie en buitengerechtelijke incassokosten omdat de vervoerder hen onvoldoende zou hebben geïnformeerd over de annulering en de reden daarvan.

De vervoerder stelde dat hij de passagiers vooraf via e-mail had geïnformeerd over de buitengewone omstandigheid en dat de passagiers, bijgestaan door een professioneel claimkantoor, hiervan op de hoogte hadden kunnen zijn. De passagiers erkenden de buitengewone omstandigheid en trokken hun vordering tot compensatie in, maar bleven de incassokosten vorderen.

De rechtbank oordeelde dat de passagiers onvoldoende hadden onderbouwd dat er meer werkzaamheden waren verricht dan het versturen van enkele brieven, waardoor de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen. De proceskosten werden aan de passagiers opgelegd, die tevens de nakosten moeten vergoeden. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: Vordering buitengerechtelijke incassokosten afgewezen; passagiers veroordeeld tot betaling van proceskosten en nakosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9376731 \ CV EXPL 21-5261
Uitspraakdatum: 13 juli 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

2.
[eiser 2]
beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. R. Bos (Aviclaim)
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. M. Reevers

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 23 juli 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers hebben hierna nog een akte genomen.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Kos (Griekenland) op 24 juli 2019, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht is geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen - na vermindering van eis - dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van € 240,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente, de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun verzoek op de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Europese Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof).
3.3.
De passagiers stellen dat de vervoerder door pas bij conclusie van antwoord aan te tonen dat de vluchten die eerder gingen dan de vlucht van de passagiers allemaal (nagenoeg) waren volgeboekt, de passagiers nodeloos heeft gedwongen om een procedure te starten. De vervoerder heeft slechts geantwoord dat hij in verband met een brandstofstoring de passagiers niet zou compenseren. De vervoerder is niet ingegaan op het feit dat de passagiers pas vier dagen later op hun eindbestemming zijn aangekomen. De vervoerder is op grond van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening verplicht om te bewijzen dat er sprake is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden. De vervoerder heeft dit in het buitengerechtelijk traject nagelaten, waardoor de passagiers geen andere mogelijkheid hadden dan de vervoerder in rechte te betrekken. De vervoerder dient dan ook de buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten te betalen.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat zijn standpunt reeds in de buitengerechtelijke procedure is onderbouwd, zodat de passagiers al bij dagvaarding hun standpunt konden innemen. Bij e-mail van 27 augustus 2019 heeft de vervoerder uitgelegd dat sprake was van een buitengewone omstandigheid. Ook is een bewijsdocument meegezonden. De vervoerder heeft hierin vastgelegd welke elementen van belang zijn voor de betreffende dag en de betreffende vlucht en die het verweer van de vervoerder verder onderbouwen. Het betreft geen algemeen bewijsdocument maar verschilt per vlucht. Hieruit volgt dat de vlucht is geannuleerd in verband met een storing in het tanksysteem op de luchthaven van Schiphol en dat de vervoerder daardoor niet kon tanken. De passagiers worden bijgestaan door een claimkantoor, aldus een professionele partij, die had moeten weten, althans kunnen begrijpen, dat de tankstoring een buitengewone omstandigheid is. Indien de gemachtigde twijfelde over de buitengewone omstandigheid, dan wel de genomen redelijke maatregelen, had hij nadere stukken kunnen opvragen. Dit heeft hij niet gedaan. De gemachtigde is ermee bekend welke stukken verder nog per passagier beschikbaar worden gesteld.
4.2.
Voorts kunnen de passagiers, nog los van de vraag of de vervoerder de passagiers voorafgaand aan de procedure voldoende heeft geïnformeerd, geen aanspraak maken op de buitengerechtelijke incassokosten omdat onvoldoende is aangetoond dat voldoende werkzaamheden zijn verricht.

5.De beoordeling

5.1.
De passagiers erkennen dat de annulering van de vlucht het gevolg is geweest van een buitengewone omstandigheid, waardoor de vordering met betrekking tot de hoofdsom en wettelijke rente daarover is ingetrokken. De passagiers vorderen nog wel buitengerechtelijke kosten en proceskosten, omdat de vervoerder de passagiers nodeloos zou hebben gedwongen tot een procedure, doordat de passagiers voorafgaand aan de procedure geen informatie over deze buitengewone omstandigheid en daaropvolgende redelijke maatregelen van de vervoerder hebben ontvangen. Volgens de passagiers ligt het op de weg van de vervoerder om de passagiers te informeren over de oorzaak van de annulering en de maatregelen die de vervoerder vervolgens heeft genomen. De vervoerder heeft dan ook niet, ondanks de vele verzoeken van de passagiers daartoe, aan haar bewijsplicht voldaan, aldus de passagiers.
5.2.
Voor zover al vastgesteld zou kunnen worden dat de vervoerder in de buitengerechtelijke fase de passagiers onvoldoende heeft geïnformeerd en of de vervoerder hiertoe gehouden is, heeft de vervoerder gemotiveerd weersproken dat de passagiers op grond van de uitgevoerde werkzaamheden recht zouden hebben op de buitengerechtelijke incassokosten. De vordering bij inleidende dagvaarding heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom wordt de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn getoetst aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Tegenover de betwisting van de vervoerder hebben de passagiers onvoldoende aangetoond en onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De passagiers hebben immers slechts twee brieven overgelegd. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
5.3.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat deze ongelijk krijgen. De proceskosten worden vastgesteld conform het liquidatietarief behorend bij de (hoogte van de) vordering zoals deze in de dagvaarding is opgenomen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder, en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 93,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
6.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter