Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Procesverloop
mr. drs. [naam 2] .
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een unieke hoekwoning, onderdeel van een woonboerderij, voor het kalenderjaar 2020. Verweerder had de WOZ-waarde vastgesteld op €278.000 en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Eiser betoogde dat de waarde te hoog was en dat de gebruikte referentieobjecten niet vergelijkbaar waren. Ook stelde eiser dat het recht van overpad waardedrukkend zou zijn en dat de stijging van de WOZ-waarde ten opzichte van voorgaande jaren te hoog was.
De rechtbank oordeelde dat het beroep ontvankelijk is omdat verweerder een inhoudelijke uitspraak op bezwaar heeft gedaan. De rechtbank vond dat de referentieobjecten, ondanks verschillen, voldoende vergelijkbaar waren om de waarde te bepalen. Het recht van overpad werd door verweerder gemotiveerd als niet waardedrukkend beoordeeld en de rechtbank vond de stelling van eiser onvoldoende onderbouwd. Daarnaast is het stijgingspercentage van de WOZ-waarde ten opzichte van eerdere jaren geen relevant criterium bij waardebepaling.
De rechtbank concludeerde dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door rechter H. de Jong op 21 juli 2022.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €278.000 wordt ongegrond verklaard.