Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Beslissing ter terechtzitting van 28 juli 2022
[verdachte],
Beslissing
nietzal worden afgedaan aan de hand van de door de officier van justitie en de raadsman ingebrachte procesafspraken.
afgewezen.
- De rechter heeft en houdt de volledige verantwoordelijkheid voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv. De rechter heeft ook tot taak de volledigheid en kwaliteit van het onderzoek ter terechtzitting te waarborgen.
- Het gaat bij procesafspraken telkens om afspraken tussen partijen. De rechter staat erbuiten.
- Daar staat tegenover dat de afspraken wel een kader voor de rechter kunnen vormen voor behandeling en beoordeling van de zaak, bezien vanuit de bredere maatschappelijke belangen van de strafrechtspleging.
- De rechter toetst de afspraken als zodanig niet, maar wel of deze inhoudelijk en processueel een adequate basis vormen om de behandeling van de zaak vorm te geven. Daarbij speelt een grote rol dat de rechter dient te bewaken of de verdachte goed en volledig geïnformeerd afziet van de uitoefening van een deel van de hem toekomende verdedigingsrechten.
- De gezamenlijkheid moet erin tot uitdrukking komen. Juist omdat op basis van wederkerigheid en oog voor belangen van OM en verdediging over en weer van een bepaalde inzet/inbreng in de procesvoering wordt afgezien en dat partijen in wederzijds vertrouwen daarop hun houding en gedrag tijdens het onderzoek ter terechtzitting bepalen.
- Het gaat om de afdoening als geheel: voorgestelde bewijsvoering en strafmaat in hun onderlinge samenhang. M.a.w. vanuit een gedeeld inzicht in de bewijsbaarheid en de bewijsconstructie komen partijen een passend vertrekpunt voor de straf overeen. Of, in elk geval, wordt een vertrekpunt geformuleerd waartegen de verdediging zich niet verzet (zoals i.c. het geval lijkt te zijn).
- Dat wordt ook als het kader voor de afdoening aan de rechter aangeboden: de rechter kijkt naar de juistheid van de voorgestelde bewezenverklaring en beoordeelt het voorstel voor de sanctionering op zijn passendheid.
- Dit betekent dat van partijen mag worden verwacht dat zij anticiperen op de door de rechter te verrichten toetsing want anders kunnen de procesafspraken niet dienen als leidraad voor de procesvoering.
- Er is rechtsgeleerde inbreng van beide partijen, wat in beginsel een waarborg biedt dat aan voornoemde eisen kan worden voldaan en de genoemde doelstellingen kunnen worden gerealiseerd. Van het OM mag zelfs worden verondersteld dat het een magistratelijke benadering heeft, overeenkomend met de intensiteit en indringendheid van de rechterlijke toetsing.
- Aanvaardbaar is dat een zekere marge bestaat of ontstaat tussen enerzijds wat partijen overeenkomen t.a.v. de bewijslevering en, anderzijds, het uiteindelijke oordeel van de rechter over het bewijs. Maar als daartussen te veel licht zit en de rechter substantieel anders oordeelt over bewijs en bewezenverklaring, kan reeds daarom niet meer gezegd worden dat de voorgestelde straf (zowel de basisstrafeis als de uiteindelijk te eisen straf) in overeenstemming is met omvang en ernst van de bewezenverklaarde feiten.
- Het ligt voor de hand dat de rechter de procesvoering regisseert zodra er procesafspraken zijn ingebracht. Daarbij dient de vraag te worden beantwoord of de procesafspraken een toereikende basis vormen voor het vervolg van de behandeling van de strafzaak. Het hiervoor weergegeven kader is daarbij leidend.
- De rechter voert die regie uit mede op basis van een globale verkenning van het procesdossier vanuit het perspectief: zal de beantwoording van de bewijsvraag in grote lijnen het zelfde luiden als door partijen is overeengekomen? Dat biedt de basis voor een verantwoorde inschatting van de basisstrafeis en in het verlengde daarvan, de aanvaardbaarheid van de strafvermindering.
- Dat dient ook een groter belang, namelijk: de rechter mag geen onvoorspelbare factor worden als procesafspraken worden aanvaard als leidraad voor behandeling van de strafzaak. Beginselen van een behoorlijke procesorde verzetten zich tegen die mogelijke onvoorspelbaarheid. Vandaar het belang van deze regie. Dat vloeit ook voort uit de eis die in de spiegelbeeldige situatie moet worden gesteld: heropening van het onderzoek als de rechter na sluiting van het onderzoek in raadkamer tot de slotsom komt dat hij (teveel) wil afwijken van hetgeen is overeengekomen, zowel op het punt van bewijs en bewezenverklaring als van de strafmaat.
- De keerzijde daarvan is echter ook dat de rechter dient te voorkomen dat hij speelbal wordt van de dynamiek tussen procespartijen. De rechter regisseert de procedure. Vereist is daarom dat OM en verdediging klare wijn schenken.
- De procesafspraken bevatten slechts een zeer globale aanduiding van bewezenverklaring en bewijs. Deze is volstrekt onvoldoende om de bewijspositie, voor zover het gaat om een gedeelde visie van OM en verdediging daarop, te begrijpen en te beoordelen. En bovendien worden enkele basale maatstaven voor strafrechtelijke bewijslevering niet in acht genomen.
- Bij een globale verkenning van de processtukken is de rechtbank tot vragen gekomen over de bewijsbaarheid van een niet onaanzienlijk deel van de tenlastelegging.
- Daarop is door beide partijen gereageerd, overigens niet in termen van een nieuw gezamenlijk standpunt. Ieder heeft zijn of haar eigen bewijsoverzicht. Dat wordt zelfs met zoveel woorden gezegd.
- In afwijking van de procesafspraken kondigt de officier van justitie vorderingen tot partiële vrijspraak aan, vooral bij feit 2. Daarnaast ook bij feit 1. De raadsman lijkt te betogen dat een globale weergave van de bewijsvoering volstaat. En hij stemt in, per e-mailbericht, met het herziene, thans voor het eerst uitgebreide, voorstel van het OM, onder mededeling dat hij met het vorige voorstel ook instemde.
- Daar komt nog bij dat vragen van de rechtbank over het resterende geldbedrag zoals onder feit 2 ten laste gelegd, wat de rechtbank betreft niet naar tevredenheid zijn beantwoord nu de door de officier van justitie voorgestelde constructie niet is afgestemd op de delictsomschrijving en de te hanteren maatstaven. In dat licht leidt de globale verkenning niet tot de inschatting dat een bewezenverklaring van feit 2 voor de hand ligt.
- De verdachte heeft ingestemd met de procesafspraken op basis van informatie van OM en raadsman over de bewijsbaarheid van feit 2 zoals tenlastegelegd. Hij heeft er ook mee ingestemd dat de rechtbank voorbereidingshandelingen t.a.v. MDMA bewezen zal verklaren, waarop, na daartoe strekkende vragen van de rechtbank, wordt c.q. moet worden teruggekomen.
- De onvermijdelijke conclusie luidt dan ook: de procesafspraken vertonen heel weinig feitelijke en juridische scherpte.
- Het lijkt erop dat er aan beide zijden inzichten bestonden die niet volledig zijn gedeeld, noch hun weg hebben gevonden naar de procesafspraken. De verdediging zou tegen beter weten in geen verweren hebben gevoerd op punten die niet bewezenverklaard kunnen worden. En het OM overweegt niet aangekondigde partiële vrijspraken te zullen vorderen.
- Dit problematiseert in vergaande mate de basisstrafeis, want het gedeeltelijk of mogelijk zelfs geheel wegvallen van feit 2 in de bewezenverklaring kan gelet op de in de tenlastelegging genoemde bedragen bezwaarlijk als niet substantieel worden aangemerkt. Ook het, voor de rechtbank onnavolgbare, standpunt over bewijs en kwalificatie van de witwasvariant en de onnauwkeurige omschrijving daarvan draagt aan die problematisering bij. Daar komt bij dat de bemoeienis van de verdachte met MDMA dient te vervallen blijkens al dan niet voortgeschreden inzicht van het OM en de verdediging.
- Hiermee is ook de positie van de verdachte problematisch en onduidelijk geworden. De rechtbank mag en wil niet weten hoe de reikwijdte van deze strafzaak aan hem is gepresenteerd. Maar een uitwendige beschouwing van hetgeen is overeengekomen en waarvoor ook de verdachte heeft getekend dwingt de rechtbank om in te grijpen. Dit kan zo niet. De acceptatie van een aangekondigde strafeis onder gelijktijdig afzien van uitoefening van verdedigingsrechten dient te geschieden op een gedegen juridische en feitelijke basis en een transparant optreden van partijen. Zowel ten opzichte van elkaar maar zeker ook ten opzichte van de rechter.
- Het gaat de taak van de rechtbank te buiten om op dat punt nadere verkenningen te verrichten. Daartegen verzet zich het consensuele karakter van de afspraken en het belang van vertrouwelijkheid. De rechter staat hier buiten.
- De rechtbank zal ook het voorstel om tijd en gelegenheid te bieden om de afspraken nader in te vullen, afwijzen. De rechter zou in dat scenario mee gaan procederen. In het licht van de voorgaande overwegingen moge duidelijk zijn dat dit zich niet zou verdragen met het karakter van procesafspraken. Het zou leiden tot onwenselijke verschuivingen in de rolverdeling tussen de rechter enerzijds en de officier van justitie en de verdediging anderzijds. Op dezelfde gronden gaat de rechtbank er niet toe over om het verhandelde ter terechtzitting van heden, waarbij overwegend op geleide van vragen van de rechtbank de standpunten van partijen zijn geëxpliciteerd, aan te merken als een aanvulling op de procesafspraken.