ECLI:NL:RBNHO:2022:6957

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 juni 2022
Publicatiedatum
5 augustus 2022
Zaaknummer
8241037
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering compensatie vertraging vlucht wegens buitengewone omstandigheden

Flightright vordert compensatie namens een passagier die door vertraging van een vlucht meer dan drie uur later aankwam op de eindbestemming. De passagier was omgeboekt na het missen van een aansluitende vlucht. De vervoerder betwist de vordering en stelt dat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden die niet voorkomen konden worden.

De rechtbank stelt vast dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat de passagier inderdaad met meer dan drie uur vertraging aankwam, wat in principe recht geeft op compensatie volgens Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder moet echter bewijzen dat de vertraging veroorzaakt werd door buitengewone omstandigheden en dat alle redelijke maatregelen zijn genomen.

De vervoerder toont aan dat de vertraging deels werd veroorzaakt door een no-show, wat een vliegveiligheidsprobleem oplevert, en deels door beslissingen van de luchtverkeersleiding (CTOT). De rechtbank kwalificeert deze omstandigheden als buitengewoon. De reden van de slotrestricties is niet relevant, omdat de vervoerder verplicht is deze te volgen. Verder is niet gebleken dat er snellere alternatieve vluchten beschikbaar waren.

De rechtbank concludeert dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen of te beperken. Daarom wordt de vordering van Flightright afgewezen. Flightright wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten en nakosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheden en voldoende getroffen maatregelen door de vervoerder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8241037 \ CV EXPL 19-19861
Uitspraakdatum: 1 juni 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Flightright GmbHgevestigd te Duitsland
eiseres
hierna te noemen Flightright
gemachtigde: mr. H. Yildiz
tegen
de besloten vennootschap
KLM Cityhopper B.V.gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers en mr. K.A. Bossenbroek

1.Het procesverloop

1.1.
Flightright heeft bij dagvaarding van 18 december 2019 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
Flightright heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. Flightright heeft hierna nog een akte genomen.

2.De feiten

2.1.
[eiser] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Zurich (Zwitserland) via Amsterdam Schiphol Airport naar Kampala (Uganda) op 25 januari 2019.
2.2.
Het eerste deel van de vlucht (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft haar aansluitende vlucht gemist en is omgeboekt naar een alternatieve vlucht waarmee zij met meer dan drie uur vertraging op haar eindbestemming is aangekomen.
2.3.
De passagier heeft haar vermeende vorderingsrecht gecedeerd aan Flightright.
2.4.
Flightright heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
Flightright vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 januari 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 90,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
- de proceskosten.
3.2.
Flightright heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Flightright stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert daartoe aan dat de vertraging van de vlucht het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vast staat dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur is aangekomen op de overeengekomen eindbestemming Kampala (Uganda), zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien hij kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Gelet op het arrest Wallentin-Hermann (C-549/07) van het Hof van 22 december 2008 dient een luchtvaartmaatschappij in het voorkomende geval aan te tonen dat hij zelfs met de inzet van alle beschikbare materiële en personeelsmiddelen de buitengewone omstandigheden kennelijk niet had kunnen vermijden – behoudens indien hij op het relevante tijdstip onaanvaardbare offers uit het oogpunt van de mogelijkheden van haar onderneming had gebracht – dat de buitengewone omstandigheden waarmee hij werd geconfronteerd tot de langdurige vertraging van de vlucht leidden.
5.3.
De vervoerder doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Hij heeft in dit kader het OCC rapport van de vlucht in kwestie overgelegd. Hieruit volgt dat de vertraging voor 25 minuten is veroorzaakt door een onverwachts vliegveiligheidsprobleem als gevolg van een “missing checked-in passenger” (vertragingscode 3) en voor 20 minuten door meerdere CTOT beslissingen van het luchtverkeersbeheer (vertragingscode 84). De vraag die voorligt is of de voornoemde omstandigheden kunnen worden aangemerkt als ‘buitengewoon’ in de zin van de Verordening.
5.4.
De kantonrechter overweegt dat indien één of meerdere “no-shows” ertoe leiden dat de ingecheckte bagage van boord moet worden gehaald, er sprake is van een vliegveiligheids- dan wel beveiligingsprobleem dat niet inherent is aan de normale uitoefening van de activiteit van de luchtvaartmaatschappij. De vervoerder is dan immers op grond van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften genoodzaakt de bagage van de passagier(s) van boord te halen. Flightright heeft deze omstandigheid niet betwist. De “no-show” kwalificeert dan ook als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
5.5.
De vlucht in kwestie is tevens vertraagd uitgevoerd als gevolg van beslissingen van de luchtverkeersleiding. Flightright stelt dat de oorzaak die ten grondslag ligt aan de beslissingen van de luchtverkeersleiding bepalend is voor de kwalificatie als buitengewone omstandigheid. Volgens Flightright kunnen slotrestricties opgelegd wegens slechte weersomstandigheden (en de daaruit voortvloeiende capaciteitsreductie) geen buitengewone omstandigheden opleveren. De kantonrechter volgt deze stelling niet. De reden voor het opleggen van restricties door de luchtverkeersleiding is in beginsel niet relevant voor de kwalificatie als buitengewone omstandigheid. De vervoerder is immers verplicht om door de luchtverkeersleiding opgelegde restricties op te volgen, hij kan daarop geen invloed uitoefenen. Nu niet is gebleken dat de luchtverkeersleiding de gewijzigde slottijd heeft opgelegd door toedoen van de vervoerder, kan ook de vertraging als gevolg van de slotrestricties worden aangemerkt als ontstaan door een buitengewone omstandigheid.
5.6.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagier te voorkomen dan wel te beperken. De vervoerder heeft aangevoerd de passagier te hebben omgeboekt naar de eerst beschikbare vlucht met plaats. Gesteld noch gebleken is dat er snellere alternatieven voorhanden waren. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken. Flightright heeft in dit kader ook niets gesteld. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering van Flightright zal dan ook worden afgewezen.
5.7.
De proceskosten komen voor rekening van Flightright, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Flightright tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 248,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt Flightright tot betaling van € 62,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt
,te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis.
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter