Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2022:7618

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 juli 2022
Publicatiedatum
23 augustus 2022
Zaaknummer
21/6279
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepsgronden tegen sluiting pand

Eiser heeft tijdig beroep ingesteld tegen het besluit van de burgemeester van de gemeente Velsen om een pand, waarin onder meer een café is gevestigd, voor onbepaalde tijd te sluiten. Het beroepschrift bevatte echter geen beroepsgronden. De rechtbank stelde eiser in de gelegenheid om binnen vier weken de gronden alsnog in te dienen en een uittreksel uit het handelsregister te overleggen.

De hersteltermijn liep van 3 december 2021 tot 31 december 2021, maar de gronden werden pas op 4 januari 2022 ontvangen. De rechtbank oordeelde dat deze overschrijding niet verschoonbaar was, ondanks de stellingen van eiser over de geringe termijnoverschrijding en het ontbreken van schade voor andere partijen.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en behandelde zij het beroep niet inhoudelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Holland op 21 juli 2022.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening van de beroepsgronden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/6279

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 juli 2022 in de zaak tussen

[eiser] h.o.d.n. [café] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Joppen),
en

de burgemeester van de gemeente Velsen, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2021 (primair besluit) heeft verweerder het pand aan de [locatie] te [woonplaats] , waarin onder meer [café] is gevestigd, voor onbepaalde tijd gesloten (met uitzondering van de woning op de bovenverdieping), omdat het pand inclusief het daarin gevestigde [café] volgens verweerder wordt gebruikt als clubhuis door de voormalige [de vereniging] .
Eiser heeft de voorzieningenrechter in verband met dit besluit verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland bij uitspraak van 15 april 2021 afgewezen [1] .
Bij besluit van 11 oktober 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. [de vereniging] (hierna: de vereniging) heeft ook beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dat beroep is door de rechtbank geregistreerd met zaaknummer HAA 21/6280. De rechtbank doet in dat beroep op dezelfde datum afzonderlijk uitspraak.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2022 op zitting behandeld. De zaak is gelijktijdig behandeld met het beroep van de [de vereniging] tegen het bestreden besluit. Eiser is samen met zijn schoonzoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A.J. de Jong en zijn gemachtigde. Bij de zitting waren tevens aanwezig de gemachtigde van de vereniging en een aantal leden van de vereniging.

Overwegingen

1. Alvorens het beroep inhoudelijk te beoordelen is de rechtbank ambtshalve gehouden om de ontvankelijkheid van het beroep te beoordelen. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.
2. Uit artikel 6:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat een beroepschrift onder meer de gronden van het beroep dient te bevatten. Uit artikel 6:6 van Pro de Awb volgt dat als verzuimd is te voldoen aan de eisen als genoemd in artikel 6:5 van Pro de Awb, het beroep niet ontvankelijk kan worden verklaard. Dit kan echter alleen als eerst een termijn is gesteld om het geconstateerde verzuim te herstellen, en die termijn ongebruikt is verstreken.
3. Eiser heeft op 18 november 2021 tijdig (binnen 6 weken) beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het op 18 november 2021 gedateerde beroepschrift bevat geen beroepsgronden. Eiser heeft de rechtbank in het beroepschrift verzocht om een termijn te stellen voor het indienen van de gronden van beroep.
4. De rechtbank heeft hierop gereageerd bij (aangetekende) brief van 2 december 2021. In die brief is aangegeven dat het beroepschrift niet voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Eiser is daarom verzocht binnen vier weken na 2 december 2021 het geconstateerde verzuim te herstellen door alsnog de beroepsgronden kenbaar te maken. Tevens is verzocht om binnen dezelfde termijn een uittreksel uit het handelsregister te overleggen. Daarbij is aangegeven dat als niet binnen de termijn aan het verzoek wordt voldaan (en ook niet binnen de gegeven termijn om uitstel is gevraagd) de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk kan verklaren.
5. De termijn van vier weken die is gegeven voor herstel van het geconstateerde verzuim startte op 3 december 2021 en eindigde vier weken later, op 31 december 2021.
6. Vast staat dat de gronden op 4 januari 2022, en dus pas na ommekomst van de gestelde termijn , door de rechtbank zijn ontvangen.
7. De rechtbank kan het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaren, maar is hiertoe, gelet op de formulering van het bepaalde in artikel 6:6 van Pro de Awb niet verplicht.
In de regel leidt overschrijding van een gegeven hersteltermijn bij de rechtbank echter altijd tot niet-ontvankelijkverklaring van een beroep, tenzij er een verschoonbare reden is voor overschrijding van de gegeven hersteltermijn.
8. Eiser heeft gesteld dat de termijnoverschrijding gering is, dat deze termijnoverschrijding pas veel later door de rechtbank is onderkend, dat de belangen van eiser bij de inhoudelijke behandeling groot zijn en dat niemand door de termijnoverschrijding in zijn belangen is geschaad. De rechtbank ziet hierin echter geen grond om af te wijken van het uitgangspunt dat een niet verschoonbare overschrijding van een gegeven hersteltermijn dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring.
9.1
Van een verschoonbare termijnoverschrijding is de rechtbank niet gebleken. Dat er op het kantoor van de gemachtigde van eiser iets is misgegaan en dat daardoor de gronden te laat zijn ingediend komt voor risico van eiser en maakt niet dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
9.2
Omdat ook niet is gebleken van een andere reden om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten, zal de rechtbank het beroep van eiser niet-ontvankelijk verklaren.
Dit betekent dat het beroep niet inhoudelijk zal worden behandeld.
10. Het beroep is niet-ontvankelijk.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter, en mr. drs. J.H.A.C. Everaerts en mr. R. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. E. Degen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2022.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een hogerberoepschrift. U moet dit hogerberoepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van rechtbank Noord-Holland van 15 april 2021, HAA 21/1222.