De rechtbank Noord-Holland heeft op 2 augustus 2022 uitspraak gedaan in de zaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van twee feiten van opzettelijke invoer van cocaïne. Feit 1 betrof medeplegen van invoer van 497 gram cocaïne op 19 februari 2022, en feit 2 de invoer van 330 gram cocaïne op 14 april 2022, beide op Schiphol.
De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding nietig was en dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard wegens het achterhouden van stukken, waaronder de telefoon van de verdachte en een laboratoriumrapport. De rechtbank verwierp deze verweren, oordeelde dat de dagvaarding geldig was en dat het OM ontvankelijk was, omdat de verdediging over de essentiële stukken beschikte en geen onherstelbaar vormverzuim was vastgesteld.
De rechtbank baseerde haar bewezenverklaring op verklaringen van een medeverdachte, WhatsApp-berichten op de telefoon van de verdachte, en het procesdossier. De verdachte werd als medepleger aangemerkt vanwege zijn organiserende en aansturende rol bij de invoer van de cocaïne. De strafmaat werd vastgesteld op tien maanden gevangenisstraf, lager dan de eis van vijftien maanden, waarbij rekening werd gehouden met de hoeveelheid drugs en de rol van de verdachte, maar zonder recidive als verzwarende omstandigheid mee te wegen.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van wat niet bewezen kon worden en bepaalde dat de tijd in voorlopige hechtenis in mindering wordt gebracht. De straf zal volledig in een penitentiaire inrichting worden uitgevoerd, met mogelijke deelname aan een penitentiair programma.