Eiser, voormalig slager en later schoonmaker en magazijnmedewerker, meldde zich ziek op 13 september 2018 en ontving een Ziektewetuitkering. Op 27 mei 2020 vroeg hij een WIA-uitkering aan, die door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) werd afgewezen omdat hij op de datum in geding (10 september 2020) minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat eiser met zijn beperkingen nog drie functies kon uitoefenen, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van 0% tot 1,37%. Eiser betwistte deze beoordeling en verzocht om een onafhankelijke deskundige, maar de rechtbank vond geen aanleiding voor twijfel aan de zorgvuldigheid en juistheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.
De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen van eiser adequaat waren vastgesteld, inclusief rug-, nek-, schouder-, arm-, hart-, darm- en psychische klachten. De arbeidsmogelijkheden werden niet overschat en de beperkingen niet onderschat. Eiser werd belastbaar geacht voor niet overmatig zwaar werk, met een urenvaststelling van circa 40 uur per week.
De rechtbank concludeerde dat de afwijzing van de WIA-aanvraag terecht was en wees het beroep af. Er werd geen onafhankelijke deskundige benoemd en geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door rechter M. Jurgens op 25 augustus 2022.