ECLI:NL:RBNHO:2022:8259

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 september 2022
Publicatiedatum
15 september 2022
Zaaknummer
AWB - 21 _ 3506
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6.17 Wet IB 2001Art. 6.18 Wet IB 2001Besluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aftrekbaarheid kosten op maat gemaakte elektrische fiets als specifieke zorgkosten

Eiseres heeft in 2019 een op maat gemaakte elektrische fiets aangeschaft en zelf betaald zonder een vergoeding vanuit de WMO aan te vragen. De Belastingdienst weigerde de aftrek van deze kosten als specifieke zorgkosten in haar aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor 2019. De rechtbank stelt vast dat de fiets kwalificeert als een ander hulpmiddel volgens artikel 6.17 van de Wet IB 2001.

De rechtbank oordeelt dat het niet doen van een WMO-aanvraag niet in de weg staat aan aftrek van de kosten, omdat eiseres geen eigen bijdrage in het kader van de WMO heeft betaald. De kosten van de fiets zijn daarom aftrekbaar tot het volledige bedrag van € 8.168,90. De kosten van de fietsverzekering zijn niet aftrekbaar omdat eiseres dit niet aannemelijk heeft gemaakt.

Verder is vastgesteld dat de rechtsbijstand beroepsmatig is verleend, waardoor de Belastingdienst wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 2.056. Het beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen van € 10.190. De rechtbank doet geen uitspraak over het hoorrecht omdat eiseres dit niet meer wenst.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vermindert de aanslag tot een belastbaar inkomen van € 10.190, met toekenning van proceskosten aan eiseres.

Uitspraak

Rechtbank noord-holland

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 21/3506

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2022 in de zaak tussen

[eiseres] , wonende te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: N.J.J. Jonk),
en
de inspecteur van de Belastingdienst/Particulieren, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2019 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en een verzamelinkomen van € 21.626.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Eiseres heeft vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn in afschrift verstrekt aan verweerder.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2022 te Haarlem.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mr. [naam 1] en mr. [naam 2] .

Overwegingen

Feiten
Eiseres heeft op 3 maart 2020 aangifte IB/PVV gedaan voor het jaar 2019. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 9.023 en bestaat uit pensioen, lijfrente of een andere uitkering ten bedrage van € 21.967 en een aftrek uitgaven specifieke zorgkosten ten bedrage van € 12.944, na aftrek van een drempel van € 362.
In 2019 heeft eiseres een voor haar op maat gemaakte elektrische fiets “ [type] ” aangeschaft bij [bedrijf] (de elektrische fiets). De factuur voor de elektrische fiets bedraagt € 8.168,90. Verder heeft eiseres een bedrag van € 832,68 betaald voor een fietsverzekering.
In 2009 heeft eiseres een verzoek op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO) gedaan om een tegemoetkoming in de kosten van een elektrische fiets. Deze aanvraag is in 2010 afgewezen. In 2019 heeft eiseres opnieuw een elektrische fiets aangeschaft. Voor deze elektrische fiets, waarvan de aftrek nu in geschil is, heeft eiseres, om haar moverende redenen, geen WMO-aanvraag gedaan.
Bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV is verweerder afgeweken van de aangifte. Verweerder heeft de aftrek van € 9.002 voor de elektrische fiets en de fietsverzekering niet geaccepteerd.
In de bezwaarfase heeft eiseres twee betalingsbewijzen voor de elektrische fiets aan verweerder verstrekt tot een totaalbedrag van € 7.204,09. Voorafgaand aan de zitting heeft eiseres een creditnota ter grootte van € 930,75 overgelegd.
Geschil
6. Niet meer in geschil is dat de elektrische fiets aangemerkt kan worden als een ‘ander hulpmiddel’ in de zin van artikel 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001. In geschil is wel of deze kosten op eiseres drukken en of eiseres zich redelijkerwijs gedrongen heeft kunnen voelen tot het doen van die uitgaven en zo ja, tot welke hoogte eiseres de kosten in aftrek kan brengen. Daarnaast is nog in geschil of verweerder het motiveringsbeginsel heeft geschonden en of sprake is van schending van het hoorrecht
.
Beoordeling van het geschil
7. Partijen zijn het erover eens dat de elektrische fiets kan worden aangemerkt als een ‘ander hulpmiddel’ in de zin van artikel 6.17, eerste lid aanhef en onderdeel d van de Wet IB 2001.
8. Ter zitting heeft verweerder meegedeeld dat hij aannemelijk acht dat eiseres het gehele bedrag van de elektrische fiets, namelijk € 8.168,90, heeft betaald. De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan.
9. Verweerder heeft gesteld dat het voor rekening en risico van eiseres komt dat zij geen WMO-aanvraag heeft gedaan. Voor zover recht bestaat op een vergoeding uit de WMO, bestaat er volgens verweerder geen recht op aftrek op grond van artikel 8.18, eerste lid, onderdeel b van de Wet IB 2001. Voor zover geen recht op een vergoeding vanuit de WMO zou bestaan, dan moeten de kosten volgens verweerder worden aangemerkt als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6.18 van de Wet IB 2001.
10. Naar het oordeel van de rechtbank staat het niet doen van een WMO-aanvraag voor de elektrische fiets er niet aan in de weg dat eiseres een aftrek wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten kan claimen (vergelijk Hoge Raad, 31 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:167). Eiseres heeft het bedrag op de factuur van de elektrische fiets zelf aan de leverancier betaald. De kosten voor de elektrische fiets kunnen niet worden aangemerkt als een eigen bijdrage als bedoeld in artikel 6.18, eerste lid, aanhef en letter d, van de Wet IB 2001 in het kader van de WMO. Eiseres is namelijk geen eigen bijdrage verschuldigd geworden krachtens de WMO, omdat eiseres voor deze elektrische fiets geen financiële tegemoetkoming uit de WMO heeft aangevraagd en/of ontvangen. Dat betekent dat eiseres recht heeft op een aftrek van € 8.168,90. Eiseres, op wie in dit geval de bewijslast rust, heeft niet aannemelijk gemaakt dat de kosten voor de verzekering van de fiets voor aftrek in aanmerking komen. De aftrek van deze kosten heeft verweerder dan ook terecht geweigerd.
11. Het belastbaar inkomen uit werk en woning/verzamelinkomen wordt als volgt vastgesteld:
Verzamelinkomen
21.626
af: medicijnen
36
af: vervoer
253
af: fiets
8.169
af: verhoging 40%
3.383
af: geneeskundige hulp
298
bij: drempel
362
Totale aftrek
11.777
Verzamelinkomen na aftrek
10.19
12. Ter zitting heeft eiseres meegedeeld dat de rechtbank geen uitspraak hoeft te doen over de schending van het hoorrecht als zij de kosten van de elektrische fiets wel mag aftrekken. De rechtbank zal dan ook geen uitspraak over het hoorrecht doen. Over het motiveringsbeginsel oordeelt de rechtbank dat de beslissing op bezwaar weliswaar kort maar wel toereikend gemotiveerd is.
12. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.

Proceskosten

14. Met betrekking tot de kosten van rechtsbijstand heeft verweerder gesteld dat geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank overweegt dat het voor het aannemen van het beroepsmatige karakter voldoende is dat het verlenen van rechtsbijstand een vast onderdeel vormt van een duurzame, op het vergaren van inkomsten gerichte taakuitoefening van de gemachtigde (zie Hoge Raad,
16 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY2770). Ter zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat hij vaker in dergelijke procedures rechtsbijstand verleend. Verweerder heeft dat laatste niet betwist. De rechtbank veroordeelt verweerder dan ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 2.056 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting met een waarde per punt van € 269, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 759 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vermindert de belastingaanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning en verzamelinkomen van € 10.190 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.056;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 49 aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.H. de Soeten, rechter, in aanwezigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 september 2022.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312,
1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.