Partijen zijn sinds 2006 gehuwd met huwelijkse voorwaarden en sinds 2021 gescheiden. De woning, onderdeel van de huwelijksgemeenschap, wordt door de man bewoond en is belast met een hypotheek van circa €259.000. De vrouw wil de woning verkopen, de man wil deze overnemen maar kan de financiering niet aantonen.
De vrouw vordert dat de man medewerking verleent aan de verkoop, waaronder het toelaten van kopers en het medeondertekenen van de koopovereenkomst. De man vordert inzage in het vermogen van de vrouw en toescheiding van bankrekeningen. De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning kan financieren en veroordeelt hem tot medewerking aan verkoop aan een derde, met een dwangsom bij niet-naleving.
De vrouw moet inzage geven in vermogensbescheiden die nuttig zijn voor het opstellen van een overzicht van de vermogensbestanddelen bij ontbinding van de gemeenschap. Overige vorderingen over bankrekeningen en voorschotten worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang. De gezamenlijke auto moet worden verkocht en de opbrengst verdeeld. Proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij eigen kosten draagt.