Het geschil betreft de vraag of tussen eiser en Heliomare een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is tot stand gekomen voor het schooljaar 2022/2023. Eiser stelde dat tijdens gesprekken in november en december 2021 een onvoorwaardelijke toezegging was gedaan, en dat er een overeenkomst was gesloten. Heliomare betwistte dit en stelde dat de gesprekken slechts verkennend waren en geen juridisch bindend aanbod inhielden.
De kantonrechter concludeerde dat er geen onvoorwaardelijke toezegging of volledig aanbod was gedaan dat tot een arbeidsovereenkomst zou leiden. De gesprekken waren bedoeld om wensen van eiser in kaart te brengen ter voorbereiding op de formatiegesprekken in mei, en er was geen overeenstemming over de essentiële onderdelen van de arbeidsovereenkomst. Ook de e-mail van de leidinggevende was te onbepaald om als toezegging te gelden.
Daarnaast speelde een klacht van een ouder over het handelen van eiser, wat mede heeft geleid tot het besluit de arbeidsovereenkomst niet te verlengen. De kantonrechter oordeelde dat eiser geen gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen aan het bestaan van een arbeidsovereenkomst en dat zijn loon- en wedertewerkstellingsvorderingen daarom moesten worden afgewezen.
De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.