ECLI:NL:RBNHO:2022:9226
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geen aanspraak op 30%-regeling wegens eerdere promotieperiode in Nederland
Eiser, een Chinese promovendus die van 2014 tot 2020 in Nederland verbleef voor zijn promotieonderzoek en vervolgens bij een Nederlandse stichting in dienst trad, vordert toepassing van de 30%-regeling. Hij stelt dat de periode van zijn verblijf in het kader van het promotieonderzoek buiten beschouwing moet blijven bij de berekening van de looptijd van de regeling, op grond van een uitzondering in artikel 10e derde lid UBLB.
De Belastingdienst wijst dit af en beroept zich op artikel 10ef UBLB, dat bepaalt dat eerdere verblijven en tewerkstellingen in Nederland in mindering worden gebracht op de looptijd van de 30%-regeling. De rechtbank volgt de Belastingdienst en oordeelt dat de uitzondering in artikel 10e derde lid UBLB alleen ziet op de kwalificatie als ingekomen werknemer, niet op de looptijd van de regeling.
De rechtbank benadrukt dat de regeling en de toelichtingen geen aanwijzingen bevatten voor een ruimere interpretatie die promovendi een uitzondering geeft bij de looptijd. Gezien de lange duur van het promotieonderzoek en de eerdere verblijfsperiode, is de looptijd van de 30%-regeling volledig benut, waardoor eiser geen aanspraak meer heeft.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter A.A. Fase en griffier E.P. van der Zalm op 28 september 2022.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de promotieperiode meetelt voor de looptijd van de 30%-regeling, waardoor eiser geen aanspraak meer heeft.