Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Beschikking van de kantonrechter
procedure
- het verzoek met bijlage, ter griffie ingekomen op 18 oktober 2021;
- de akkoordverklaring van betrokkene, ingekomen op 28 oktober 2021.
Rechtbank Noord-Holland
De kantonrechter heeft een verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van betrokkene behandeld. Verzoekers, die tevens bewindvoerders zijn, stelden dat betrokkene zich zodanig heeft ontwikkeld dat het bewind niet langer nodig is. Zij voeren aan dat zij alle financiële zaken bespreken met betrokkene en het niet nodig achten zich steeds aan de kantonrechter te verantwoorden.
De kantonrechter toetst of de noodzaak voor het bewind nog aanwezig is. Uit de bij de instelling van het bewind overgelegde deskundigenverklaringen bleek dat betrokkene lichamelijk en geestelijk gehandicapt is en niet in staat is zijn financiën te beheren. Verzoekers hebben echter geen nieuwe deskundigenverklaring of ander bewijs overgelegd waaruit blijkt dat deze situatie is veranderd.
De kantonrechter constateert dat het verzoek vooral ingegeven lijkt door het niet willen afleggen van financiële verantwoording aan de rechtbank. De kantonrechter wijst het verzoek af en stelt dat een volgend verzoek alleen in behandeling wordt genomen indien een deskundigenverklaring wordt overgelegd waaruit blijkt dat betrokkene zijn vermogensrechtelijke belangen zelfstandig kan behartigen. Tevens wordt aangegeven dat bij niet tijdige en volledige verantwoording over 2021 verzoekers kunnen worden ontslagen als bewindvoerders en een professionele bewindvoerder kan worden aangesteld.
Uitkomst: Het verzoek tot opheffing van het bewind wordt afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing dat de grond voor het bewind is komen te vervallen.