In deze kortgedingprocedure vordert de woningstichting Van Alckmaer voor Wonen ontruiming van een woning die wordt bewoond door een huurder die onder bewind is gesteld. De bewindvoerder heeft namens de huurder de huurovereenkomst opgezegd zonder voorafgaande machtiging van de kantonrechter, die achteraf wel werd verzocht maar niet werd verleend vanwege te late indiening.
De kantonrechter oordeelt dat de woningstichting mocht uitgaan van de rechtsgeldige opzegging door de bewindvoerder, aangezien de rechten uit de huurovereenkomst onder het bewind vallen en de bewindvoerder bevoegd is tot opzegging. Gezien de ernstige omstandigheden in de woning, waaronder een hennepkwekerij en verwaarlozing, was het gerechtvaardigd dat de bewindvoerder de huur opzegde.
Hoewel de machtiging achteraf niet werd verleend, acht de kantonrechter het zeer aannemelijk dat deze bij tijdige aanvraag zou zijn toegekend. De huurder weigerde mee te werken aan de opzegging en het verlaten van de woning, waardoor de woningstichting de bewindvoerder als juiste partij heeft gedagvaard.
De kantonrechter veroordeelt de bewindvoerder tot ontruiming binnen drie dagen, betaling van een dwangsom voor elke maand dat de woning niet wordt ontruimd, en proceskosten. Dit vonnis geldt ook tegen de feitelijke huurder en is uitvoerbaar bij voorraad.