ECLI:NL:RBNHO:2022:9438

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
16 november 2022
Publicatiedatum
24 oktober 2022
Zaaknummer
8971253
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagiers wegens buitengewone omstandigheden bij vluchtvertraging

De passagiers vorderden compensatie van de vervoerder Turkish Airlines wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van Amsterdam via Istanbul naar Antalya in oktober 2018. De vertraging leidde tot het missen van de aansluitende vlucht en een uiteindelijke aankomst met meer dan acht uur vertraging.

De vervoerder verweerde zich met een beroep op buitengewone omstandigheden, namelijk slotrestricties opgelegd door de luchtverkeersleiding die de vertrektijd (CTOT) van het toestel wijzigden. De rechtbank stelde vast dat de vervoerder de opgelegde CTOT moest opvolgen en dat de vertraging daardoor niet aan de vervoerder te wijten was.

De rechtbank oordeelde dat de vervoerder alle redelijke maatregelen had genomen om de vertraging te beperken, waaronder het omboeken van passagiers naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. De passagiers konden niet aantonen dat zij de aansluitende vlucht ondanks de buitengewone omstandigheden hadden kunnen halen.

Daarom wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde de passagiers tot betaling van de proceskosten. Het vonnis werd uitgesproken door kantonrechter S.N. Schipper.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen wegens buitengewone omstandigheden.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 8971253 \ CV EXPL 21-246
Uitspraakdatum: 16 november 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1],

2. [eiser 2],

beiden wonende te [plaats 1]
3. [eiser 3],wonende te [plaats 2]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde: mr. I.G.B. Maertzdorff (EUclaim B.V.)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Turk Havayollari A.O.,tevens handelend onder de naam
Turkish Airlines
gevestigd te Ankara (Turkije) en kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. H. Bulut-Yazir (Advocaten van Oranje)

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 30 september 2020 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. Vervolgens hebben de passagiers een akte overlegging producties genomen. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport via Istanbul (Turkije) naar Antalya (Turkije) op 17 en 18 oktober 2018.
2.2.
Het eerste deel van de vlucht van Amsterdam naar Istanbul (TK1954) (hierna: de vlucht) is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben hun aansluitende vlucht (TK2428) gemist. Zij zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht (TK2410) waarmee zij met 8 uur en 5 minuten vertraging op de overeengekomen eindbestemming zijn aangekomen.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.
2.5.
Passagier sub 2 is tijdens het verloop van de procedure meerderjarig geworden. Hij heeft op 15 september 2021 een volmacht aan EUclaim B.V. verstrekt.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 oktober 2018, althans vanaf datum ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 181,50 dan wel € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 januari 2019 dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering en doet een beroep op buitengewone omstandigheden. Daartoe heeft hij, onder meer, aangevoerd dat de vertraging werd veroorzaakt doordat de luchtverkeersleiding slotrestricties aan de vlucht had opgelegd.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op hun eindbestemming zijn aangekomen, zodat er in beginsel een compensatieplicht geldt voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden welke ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden. In punt 15 van de considerans van de Verordening heeft de Gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich onder meer kunnen voordoen wanneer een besluit van de luchtverkeersleiding voor een specifiek toestel op een specifieke dag een langdurige vertraging, een vertraging van een nacht of de annulering van één of meer vluchten van dat vliegtuig veroorzaakt.
5.3.
De vraag die voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop voldoende heeft aangetoond dat de vertraging van de passagiers het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden zoals hiervoor bedoeld.
5.4.
De vlucht stond gepland om 19:15 uur lokale tijd uit Amsterdam te vertrekken en om 23:45 uur lokale tijd in Istanbul aan te komen. Als productie 1 bij antwoord heeft de vervoerder de slothistorie van de vlucht overgelegd. Uit de slothistorie volgt dat de luchtverkeersleiding de “Calculated Take-Off Time” (hierna: CTOT) tweemaal heeft herzien en uiteindelijk een CTOT van 19:59 uur lokale tijd aan het toestel heeft toegekend. De vlucht heeft van deze CTOT gebruik gemaakt. De vlucht is met een vertrekvertraging van 22 minuten uit Amsterdam vertrokken en met een aankomstvertraging van 24 minuten in Istanbul geland.
5.5.
De passagiers stellen dat de vlucht binnen de marges van de laatstelijk toegekende CTOT eerder had kunnen vertrekken. Rekening houdend met 21 minuten taxi tijd, 5 minuten speling voor vertrek en 10 minuten speling na vertrek betekent een CTOT van 19:59 uur lokale tijd volgens de passagiers dat het toestel om 19:33 uur lokale tijd van de blokken had mogen gaan. De vlucht is blijkens het vluchtrapport echter pas om 19:37 uur lokale tijd van de blokken gegaan. Het voorgaande leidt volgens de passagiers tot de conclusie dat de laatstelijk toegekende CTOT slechts tot een beperkte vertraging van 18 minuten heeft geleid. De passagiers betwisten daarbij dat het toekennen van een latere CTOT kan kwalificeren als een buitengewone omstandigheid.
5.6.
Anders dan de passagiers is de kantonrechter van oordeel dat de opgelegde CTOT wél als een buitengewone omstandigheid kan worden aangemerkt. De vervoerder had immers niet de mogelijkheid om eerder te vertrekken doordat de luchtverkeersleiding een gewijzigde vertrektijd aan het toestel had opgelegd. Een luchtvaartmaatschappij is altijd verplicht om een CTOT op te volgen. Niet is gebleken dat de luchtverkeersleiding de CTOT heeft opgelegd door toedoen van de vervoerder.
5.7.
De vervoerder heeft, onder verwijzing naar het vluchtrapport, aangevoerd dat het daadwerkelijke moment van opstijgen om 19:56 uur lokale tijd was. Dit is binnen de marges van de laatstelijk opgelegde CTOT. Naar het oordeel van de kantonrechter is niet gebleken dat de vervoerder daadwerkelijk nog eerder had kunnen vertrekken, zelfs al was hij eerder van de blokken gegaan. Het is uiteindelijk immers de luchtverkeersleiding die bepaalt op welk moment een vliegtuig groen licht krijgt om te mogen vertrekken. De vertrekvertraging van 22 minuten is dan ook volledig te wijten aan de voornoemde buitengewone omstandigheid.
5.8.
De vlucht is uiteindelijk met 24 minuten vertraging aangekomen in Istanbul. Tijdens de uitvoering van de vlucht is de vertraging dus met twee minuten opgelopen. Ten aanzien van deze twee minuten heeft de vervoerder geen beroep op buitengewone omstandigheden gedaan. Gesteld noch gebleken is dat de passagiers de aansluitende vlucht evengoed hadden gemist indien er geen buitengewone omstandigheden waren opgetreden en dat de passagiers de aansluitende vlucht hebben gemist ten gevolge van de 2 minuten vertraging die niet door een buitengewone omstandigheid is veroorzaakt. Hieruit volgt dan ook dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden.
5.9.
De vraag die vervolgens voorligt is of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft genomen om de vertraging van de passagiers zoveel mogelijk te voorkomen dan wel te beperken. De passagiers stellen dat de vervoerder onvoldoende buffer in de overstaptijd heeft ingeruimd. De kantonrechter overweegt dat in het arrest van het Hof van 12 mei 2011 (Eglitis/Latvijas C-294/10) is beslist dat een luchtvaartmaatschappij gehouden is om in het stadium van de planning van de vlucht redelijkerwijs rekening te houden met het risico op vertraging die het gevolg kan zijn van eventuele buitengewone omstandigheden. De kantonrechter acht in dit kader een reservetijd (of ‘buffer’) van ten minste 20 minuten bovenop de “Minimum Connecting Time” (MCT) noodzakelijk. De vervoerder heeft eerst in dupliek toegelicht dat de minimum connecting time te Istanbul 60 minuten bedraagt en dat de passagiers 15 minuten reservetijd hadden. De passagiers hebben hier niet meer op kunnen reageren. Dit neemt niet weg dat de buitengewone omstandigheden in dit geval tot een vertraging van 22 minuten hebben geleid. De kantonrechter concludeert dat, ook al had de vervoerder voldoende reservetijd in acht genomen, de passagiers hun aansluitende vlucht niet meer hadden kunnen halen.
5.10.
De vervoerder heeft aangevoerd dat hij de passagiers heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare vlucht met plaats. Dit is niet door de passagiers betwist. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer had kunnen nemen om de vertraging te voorkomen dan wel te beperken. De passagiers hebben in dit kader ook niets gesteld. Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. De vordering van de passagiers zal dan ook worden afgewezen.
5.11.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers omdat deze ongelijk krijgen.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter