ECLI:NL:RBNHO:2022:9443

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
26 oktober 2022
Publicatiedatum
25 oktober 2022
Zaaknummer
C/15/324225 / HA ZA 22-38
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:184 BWArt. 3:185 BWArt. 3:194 BWArt. 4:144 lid 1 BWArt. 4:149 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil tussen erfgenamen over onrechtmatige onttrekkingen en verdeling nalatenschap

Eiseres en gedaagde, broer en zus en erfgenamen van hun overleden oom, zijn in geschil geraakt over onrechtmatige onttrekkingen uit de nalatenschap door gedaagde. Gedaagde had een volmacht om het vermogen van erflater te beheren, maar maakte grote bedragen over naar zijn privé- en bedrijfsrekeningen.

De rechtbank beoordeelde drie pijnpunten: een vermeende lening van €50.000 aan een vennootschap van gedaagde, een licentieovereenkomst van €50.000 voor software waarvan de echtheid van de handtekening van erflater werd betwist, en privé-overboekingen van €22.358. Voor de lening werd vastgesteld dat deze was terugbetaald en geen schade veroorzaakte. De licentieovereenkomst werd niet bewezen en de betaling werd als onrechtmatig aangemerkt, waardoor gedaagde schadeplichtig is voor €50.000.

Voor de privé-overboekingen werd vastgesteld dat €5.612,80 zonder grondslag was overgemaakt. Er was geen bewijs van opzettelijke verzwijging door gedaagde. De rechtbank stelde het aandeel van eiseres in de nalatenschap vast op €169.635,74 plus rente en bepaalde de wijze van verdeling, waarbij proceskosten tussen partijen werden gecompenseerd.

Uitkomst: Gedaagde is gehouden €55.612,80 plus wettelijke rente terug te betalen aan de nalatenschap, aandeel eiseres wordt vastgesteld op €169.635,74 en de nalatenschap wordt verdeeld volgens het vonnis.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/324225 / HA ZA 22-38
Vonnis van 26 oktober 2022 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1],
eiseres,
advocaat mr. K.N. Holtrop,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. J.W. Damstra.
Partijen zullen hierna eiseres en gedaagde genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 29 juni 2022
  • de akte overleggen producties en wijziging van eis van eiseres
  • de mondelinge behandeling op 30 september 2022, de daarvan door de griffier bijgehouden aantekeningen en de pleitnotities van mr. Holtrop.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Eiseres en gedaagde zijn zus en broer.
2.2.
Op 31 januari 2017 heeft [erflater] (hierna te noemen: erflater), de oom van partijen, bij notariële akte een algemene volmacht gegeven aan zijn echtgenote en – als zij hem niet meer kan of wil vertegenwoordigen – aan gedaagde om hem te vertegenwoordigen. De volmacht houdt onder meer het volgende in:
“(…)
2. Vermogensrechtelijke vertegenwoordiging
Ik wil dat de vertegenwoordiger mijn vermogen beheert en namens mij (…) rechtshandelingen verricht op ieder rechtsgebied (…)
B. Indien een ander dan mijn echtgenote de vertegenwoordiger is, mag de vertegenwoordiger namens mij geen giften doen. Deze beperking in het verrichten van rechtshandelingen namens mij geldt alleen in de interne verhouding, dat wil zeggen tussen mij en de vertegenwoordiger en niet tegenover derden.
(…)
Uitsluitend indien mijn echtgenote mijn vertegenwoordiger is, wil ik dat de vertegenwoordiger namens mij giften doet als hij oordeelt dat dit overeenkomt met mijn wensen.
(…)
4. Rekening en verantwoording
De vertegenwoordiger heeft een administratieplicht van alle handelingen die hij namens mij verricht of laat verrichten.
De vertegenwoordiger moet mij zo spoedig mogelijk op de hoogte brengen van zijn werkzaamheden en jaarlijks aan mij rekening en verantwoording afleggen over de wijze waarop hij zijn taak heeft volbracht.
Na mijn overlijden moet de vertegenwoordiger, niet zijnde mijn echtgenote, mijn erfgenamen op de hoogte brengen van zijn werkzaamheden en aan hen de rekening en verantwoording afleggen over de laatste drie jaar voor zover daarover niet eerder rekening en verantwoording is afgelegd.
5. Aansprakelijkheid
Als de vertegenwoordiger mijn belangen niet heeft behartigd op een manier die redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden, waaronder begrepen het niet dan wel niet zorgvuldig beheren van mijn vermogen, is hij verplicht eventuele schade die daaruit voortvloeit aan mij dan wel mijn erfgenamen te vergoeden.
(…)”.
2.3.
Op 31 januari 2017 heeft erflater bij de notaris een testament opgemaakt waarin hij zijn echtgenote en – als zij vóór hem is overleden – eiseres en gedaagde, ieder voor een gelijk deel, tot zijn erfgenamen heeft benoemd. Bij vooroverlijden van zijn echtgenote heeft erflater in haar plaats gedaagde tot executeur benoemd. Volgens het testament eindigt de taak van de executeur onder meer als de executeur zijn werkzaamheden heeft voltooid.
2.4.
De echtgenote van erflater is op 3 oktober 2017 overleden. In ieder geval vanaf dat moment is gedaagde gebruik gaan maken van de door erflater verleende volmacht.
2.5.
Na het overlijden van zijn echtgenote is erflater drie weken in het ziekenhuis opgenomen geweest en heeft hij aansluitend drie weken in een revalidatiecentrum verbleven. Daarna is hij gaan wonen in een wooncomplex met interne faciliteiten voor zorg.
2.6.
Op 29 januari, 18 en 20 april en 2 mei 2018 heeft gedaagde in totaal € 22.583,00 van de bankrekening van erflater overgeboekt naar zijn privérekening.
2.7.
Op 1 juli 2018 heeft Spheeres B.V. (hierna Spheeres), een vennootschap van gedaagde, een offerte uitgebracht aan erflater voor de levering van een eeuwigdurende licentie voor een softwarepakket voor bedrijven voor een bedrag van € 31.772,31 en 80 uur consultancy en training voor een bedrag van € 9.600,00 exclusief btw. Onder het kopje “1.1 Uitgangssituatie” staat “Mijn oom de heer [erflater] wil graag de verkoop van de Spheeres.com software mee stimuleren en doet bij deze een aankoop van software en diensten”. In de offerte zijn de Nederland ICT Voorwaarden van toepassing verklaard. Onder de offerte staat boven de voorgedrukte naam van erflater een handtekening.
2.8.
Op 26, 27 en 30 juli en 1 augustus 2018 heeft gedaagde via online bankieren opgeteld € 50.000,00 overgeboekt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van Stolk Beheer B.V. (hierna: Stolk Beheer), een vennootschap van gedaagde. Op dezelfde data heeft gedaagde opgeteld ook € 50.000,00 overgeboekt naar de bankrekening van CyberThing, eveneens een bedrijf van gedaagde.
2.9.
Op 8 september 2018 is erflater overleden.
2.10.
Gedaagde heeft zijn benoeming als executeur aanvaard.
2.11.
Op 10 oktober 2019 heeft eiseres een brief van gedaagde ontvangen met onder andere de mededeling dat gedaagde inschat dat eiseres na afhandeling een netto erfenis van ongeveer € 100.600,00 ontvangt. In de brief is een berekening opgenomen van het erfdeel van eiseres.
2.12.
Op 6 april 2020 heeft eiseres van gedaagde een spreadsheet ontvangen met een berekening van het saldo van de nalatenschap. In de spreadsheet is als vordering van de nalatenschap opgenomen “lening [gedaagde] € 40.000,00”.
2.13.
Bij brief van 2 juli 2020 heeft de door eiseres ingeschakelde notaris een aantal vragen gesteld aan gedaagde over de op 6 april 2020 toegestuurde spreadsheet. De notaris heeft onder meer het volgende aan gedaagde geschreven:
“(…)
- Tijdens uw beheer als gevolmachtigde heeft uw oom naar ik begreep bedrijfssoftware gekocht voor een bedrag rond de € 50.000,- bij een bedrijf van u. Gezien zijn leeftijd en fysieke en mentale staat roept dit, zoals u wellicht kunt begrijpen, vragen op.
Vriendelijk verzoek ik u op grond van de verplichte rekening en verantwoording deze aankoop toe te lichten.
  • In 2018 zijn er, naast genoemde aanschaf van bedrijfssoftware, overboekingen gedaan van uw oom en tante naar een bedrijfsrekening van u, samen ongeveer groot € 50.000,-. Hiervan ontvang ik graag een nadere toelichting en papieren bewijzen op grond waarvan deze overboekingen hebben plaatsgevonden.
  • In het eindoverzicht door u toegestuurd aan uw zuster is opgenomen dat u een lening had bij uw oom van € 40.000,-. Ik ga ervanuit dat deze lening juist is opgegeven bij de inkomstenbelastingaangifte(n) van uw oom? Vriendelijk verzoek ik u om kopieën aan te leveren va de aangiften inkomstenbelasting over de laatste drie jaren (of in ieder geval de jaren dat u als gevolmachtigde heeft gehandeld en de laatste aangifte die u heeft gedaan in uw functie van executeur)
  • Graag ontvang ik kopieën van de bankafschriften van uw oom en tante vanaf *oktober 2017 tot en met heden danwel het moment van opheffing van de rekening(en) indien dit reeds is gedaan. Op grond van de rekening en verantwoording van u als gevolmachtigde alsmede als executeur zijn dit van belang zijnde gegevens.
  • In de reeds ontvangen bankafschriften door uw zuster viel het haar op dat er meerdere overboekingen zijn geweest van grote bedragen tussen de rekeningen van uw oom. Kunt u toelichten waarom dit is geweest?
(…)”
2.14.
Gedaagde heeft bij brief van 8 augustus 2020 als volgt gereageerd op de hiervoor genoemde brief van de notaris.
“(…)
Factuur € 50.000
Mijn oom wilde mijn nieuwe bedrijf helpen. Omdat ik dat legaal wilde regelen heb ik, in overleg, een factuur gestuurd. De BTW is netjes afgedragen. (…)
Het moge duidelijk zijn dat dit bedrag al fiscaal verrekend is en dus geen onderdeel kan zijn van de erfenis. (…)
Lening € 50.000
De lening is niet opgegeven in de inkomstenbelasting. Dat is ook niet nodig omdat schulden en bezittingen altijd per 1 januari altijd opgegeven moeten worden. Deze lening is in 2018 verstrekt en dus niet verwerkt in de aangifte over 2018.
De lening is opgenomen in de erfenis.
Lening € 40.000 (spreadsheet)
Het betreft hetzelfde bedrag als in de vorige paragraaf. Dit bedrag moet € 50.000 zijn. Het bedrag was gesaldeerd met de resterende reservering van € 10.000. Foutje van mij. Sorry. (…)”.
In de brief is een tabel opgenomen waarin onder meer staat vermeld:
“lening [gedaagde] € 50.000” met daarbij de toelichting “naast de betaling van de factuur van 50.000 heb ik nog 50.000 ontvangen; dat is deze 50.000. er stond 40.000 omdat het bedrag onterecht gesaldeerd was met het voorschot.”
Ook is in de tabel opgenomen “Reservering € 10.000” met daarbij de toelichting “hier stond 20.000; bedrag nu op 10.000 gesteld.”
Onder de tabel staat “Bovenstaande berekening is aangepast. Het reserverings restant (€ 50.000) was gesaldeerd met het lening bedrag van € 50.000 in de berekening. Het maakt weinig verschil aangezien het leningsbedrag duidelijk is.”

3.Het geschil

3.1.
Eiseres vordert – na wijziging van eis – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
gedaagde te veroordelen om aan de nalatenschap te betalen € 122.358,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van de diverse onttrekkingen en/of overboekingen;
te verklaren voor recht dat het aandeel van gedaagde in het vorderingsrecht ten bedrage van € 50.000,00 en € 22.358,00 en € 50.000,00 van de nalatenschap op gedaagde op grond van artikel 3:194 BW Pro door gedaagde is verbeurd en dus nog slechts aan eiseres toekomt;
te verklaren voor recht dat het aandeel van eiseres in de nalatenschap € 239.635,34 bedraagt dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag en de wijze van verdeling als hierboven gevorderd dan wel in goede justitie vast te stellen gelasten;
gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.
3.2.
Gedaagde voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.
Het verweer van gedaagde dat eiseres niet-ontvankelijk is in haar vorderingen, omdat zij gedaagde alleen als erfgenaam heeft gedagvaard en niet ook als executeur slaagt niet. De executeur heeft tot taak de goederen van de nalatenschap te beheren en de schulden van de nalatenschap te voldoen, die tijdens zijn beheer uit die goederen behoren te worden voldaan (artikel 4:144 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (BW)). De taak van een executeur eindigt onder meer wanneer hij zijn werkzaamheden als zodanig heeft voltooid (artikel 4:149 lid 1 aanhef Pro en onder a BW). Dat is hier het geval. Gedaagde stelt ook zelf dat er geen schulden van de nalatenschap meer zijn. Aangenomen moet worden dat gedaagde als executeur zijn beheer op de voet van artikel 4:150 lid 1 BW Pro inmiddels ook heeft beëindigd. Gedaagde is daarmee geen executeur meer en is dus terecht alleen als erfgenaam gedagvaard.
Onttrekkingen
4.2.
Eiseres stelt dat gedaagde in de periode waarin hij gebruik maakte van de door erflater afgegeven volmacht ten onrechte een aantal grote bedragen heeft overgeboekt naar zijn privébankrekening en naar bankrekeningen van zijn vennootschappen. Eiseres vindt dat gedaagde die bedragen moet terugbetalen aan de nalatenschap en dat zijn aandeel in die bedragen is verbeurd, omdat gedaagde die vorderingen voor haar heeft verzwegen. Eiseres beperkt haar vorderingen tot drie zogenoemde “pijnpunten”.
Pijnpunt 1: lening aan Stolk Beheer
4.3.
In de periode 26 juli tot en met 1 augustus 2018 heeft gedaagde via online bankieren in totaal € 50.000,00 van de bankrekening van erflater overgeboekt naar de bankrekening van zijn vennootschap Stolk Beheer. Gedaagde stelt dat het ging om een geldlening van erflater aan Stolk Beheer. In de door gedaagde opgestelde spreadsheets van 10 oktober 2019 en 8 augustus 2020 is ook een lening aan Stolk Beheer opgenomen, eerst voor een bedrag van € 40.000,00 en later voor een bedrag van € 50.000,00. Eiseres betwist dat sprake was van een geldlening, omdat er geen schriftelijke geldleningovereenkomst is, uit de bankafschriften niets blijkt van een lening en er ook geen rente is betaald. In de dagvaarding heeft eiseres zich op het standpunt gesteld dat de overgeboekte bedragen moeten worden aangemerkt als een schenking, terwijl gedaagde op basis van de volmacht niet bevoegd was om schenkingen te doen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiseres echter ook gesteld dat gedaagde door aldus te handelen de belangen van erflater niet heeft behartigd op een manier die redelijkerwijs van hem verwacht mag worden en op grond van de volmacht gehouden is de schade die daaruit voortvloeit aan de erfgenamen te vergoeden.
4.4.
De rechtbank merkt op dat het haar niet erg duidelijk is op welke grondslag eiseres haar vordering tot terugbetaling van € 50.000,00 aan de nalatenschap nu precies baseert en hoe zij tot een terugbetalingsverplichting voor gedaagde komt. Aan de ene kant stelt eiseres dat feitelijk sprake is van een schenking door erflater aan Stolk Beheer, terwijl gedaagde niet bevoegd was om schenkingen te doen. Welk rechtsgevolg eiseres aan die stelling verbindt is onduidelijk. Zij heeft geen vordering ingesteld tot vernietiging van de schenking, zodat er ook geen terugbetalingsverplichting is ontstaan. Een vordering tot vernietiging had overigens ingesteld moeten worden tegen Stolk Beheer, die geen partij is in deze procedure. Aan de andere kant stelt eiseres echter ook dat gedaagde – kort gezegd – misbruik heeft gemaakt van de door erflater verstrekte volmacht en op grond van artikel 5 van Pro de volmacht gehouden is de daaruit voortvloeiende schade aan de erfgenamen te betalen. Van schade is echter geen sprake. Eiseres heeft niet weersproken dat gedaagde de lening in privé heeft afgelost door € 50.000,00 in mindering te brengen op het voorschot op zijn aandeel in de nalatenschap. Eiseres heeft een voorschot van € 95.014,50 uitbetaald gekregen. Gedaagde heeft als voorschot € 92.774,58 ontvangen, waarvan slechts € 42.774,58 daadwerkelijk aan hem is uitbetaald. De resterende € 50.000,00 is verrekend met de vordering van de nalatenschap op Stolk Beheer. Daarmee is een bedrag van € 50.000,00 terugbetaald en dus is de nalatenschap niet benadeeld. Voor zover eiseres meent dat er andere schade is ontstaan door het handelen van gedaagde, heeft zij dat onvoldoende gesteld en toegelicht. De nalatenschap en ook eiseres in privé hebben wat pijnpunt 1 betreft dus geen vordering (meer) op gedaagde.
4.5.
Eiseres stelt zich op het standpunt dat het aandeel van gedaagde in de (reeds terugbetaalde) € 50.000,00 is verbeurd, omdat gedaagde eerst voor haar heeft verzwegen dat de nalatenschap een vordering van € 50.000,00 had op Stolk Beheer. Gedaagde heeft die vordering pas na vragen van eiseres gemeld en hij heeft de lening toen voor een bedrag van € 40.000,00 in zijn spreadsheet opgenomen in plaats van € 50.000,00. Gedaagde betwist dat hij de vordering van de nalatenschap op Stolk Beheer heeft verzwegen en stelt dat hij de lening vanaf het begin in de spreadsheets heeft opgenomen. Dat dat eerst voor een bedrag van € 40.000,00 was berust volgens gedaagde op een foutje.
4.6.
De rechtbank overweegt het volgende. Als tot de gemeenschap behorende goederen opzettelijk worden verzwegen verbeurt een deelgenoot zijn aandeel in die goederen (artikel 3:194 BW Pro). Het is dus de vraag of gedaagde het vorderingsrecht van de nalatenschap op zijn vennootschap Stolk Beheer opzettelijk voor eiseres heeft verzwegen. Daarvan is volgens de rechtbank geen sprake. Eiseres stelt zelf dat het om een schenking ging in plaats van een geldlening. Zolang de schenking niet is vernietigd, geldt die nog steeds en heeft de nalatenschap ook geen vordering tot terugbetaling. Gedaagde hoefde in dat geval de overboekingen ook niet te melden. Voor zover eiseres zich op het standpunt stelt dat gedaagde misbruik heeft gemaakt van de volmacht en daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden, is hiervoor al overwogen dat er geen schade is. Ook in dit geval is er dus geen vordering van de nalatenschap die gedaagde had moeten melden en is dus ook geen sprake van verzwijging. Indien er tot slot vanuit moet worden gegaan dat het om een geldlening ging, overweegt de rechtbank dat gedaagde in zijn brief van 10 oktober 2019 de geldlening weliswaar niet expliciet heeft genoemd, maar dat wil niet zeggen dat hij die heeft verzwegen. De bruto erfenis is in die brief niet uitgesplitst. Er is slechts een totaalbedrag genoemd. Nog voordat eiseres vragen over de overboekingen heeft gesteld heeft gedaagde in zijn spreadsheet van 6 april 2020 de lening als vordering van de nalatenschap opgenomen voor een bedrag van € 40.000,00. Gedaagde heeft het bestaan van de lening dus niet verzwegen. Na vragen van de door eiseres ingeschakelde notaris over de bedragen in de spreadsheet van 6 april 2020 heeft gedaagde de hoogte van de lening in de spreadsheet van 8 augustus 2020 bijgesteld naar € 50.000,00 met als toelichting dat de lening eerst was gesaldeerd met de resterende reservering van € 10.000 en dat dat een foutje was. De vraag is of dat inderdaad een foutje was of dat gedaagde eerst opzettelijk voor eiseres heeft verzwegen dat de vordering van de nalatenschap € 10.000,00 hoger was. Hoewel de rechtbank niet begrijpt waarom gedaagde meent dat hij een reservering van € 10.000,00 voor nog te maken kosten in mindering zou kunnen brengen op een aan Stolk Beheer verstrekte geldlening is zij van oordeel geen sprake is van opzettelijke verzwijging van € 10.000,00. In de brief van 2 juli 2020 heeft de notaris niets gezegd over een te laag bedrag. In zijn reactie van 8 augustus 2020 heeft gedaagde uit eigen beweging opgemerkt dat de lening niet € 40.000,00, maar € 50.000,00 bedraagt en dat hij ten onrechte een reservering van € 10.000,00 in mindering had gebracht. In de spreadsheet van 8 augustus 2020 staat de lening voor een bedrag van € 50.000,00 vermeld en is (voor het eerst) tevens een reservering van € 10.000,00 opgenomen. Eiseres heeft daar geen opmerkingen over gemaakt. Hoewel het voor de transparantie en (daarmee) het vertrouwen van eiseres beter was geweest als gedaagde de lening van € 50.000,00 en de reservering van € 10.000,00 direct apart had vermeld, is het saldo van de nalatenschap dus niet gewijzigd. Van (opzettelijke) verzwijging is dan ook niet gebleken. De gevorderde verbeurdverklaring zal wat de (inmiddels terugbetaalde) lening betreft daarom worden afgewezen.
Pijnpunt 2: de licentieovereenkomst
4.7.
In de periode 26 juli tot en met 1 augustus 2018 heeft gedaagde via online bankieren in totaal € 50.000,00 overgeboekt van de bankrekening van erflater naar de bankrekening van CyberThing, een bedrijf van gedaagde. Volgens gedaagde wilde erflater investeren in zijn bedrijf Spheeres en is dat gebeurd in de vorm van de aankoop van een softwarelicentie door erflater. De door gedaagde gedane overboekingen betreffen de betaling van de factuur die Spheeres na het sluiten van de licentieovereenkomst aan erflater heeft verstuurd. Gedaagde heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat tussen erflater en Spheeres een overeenkomst tot stand is gekomen verwezen naar een op 1 juli 2018 door Spheeres aan erflater uitgebrachte offerte voor de levering van een eeuwigdurende licentie voor een softwarepakket voor bedrijven voor een bedrag van € 31.772,31 en 80 uur consultancy en training voor een bedrag van € 9.600,00 exclusief btw. Eiseres stelt dat gedaagde met gebruikmaking van de volmacht de licentieovereenkomst namens erflater heeft gesloten en de overboekingen heeft gedaan en daarmee misbruik heeft gemaakt van de volmacht. Gedaagde betwist dat en wijst erop dat erflater de offerte op 1 juli 2018 zelf voor akkoord heeft ondertekend. Eiseres heeft ter zitting betwist dat de handtekening onder de offerte van erflater afkomstig is.
4.8.
Artikel 159 lid 2 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) bepaalt dat als de echtheid van de ondertekening niet wordt erkend de betreffende onderhandse akte geen bewijs oplevert zolang niet wordt bewezen van wie de ondertekening afkomstig is. Omdat eiseres betwist dat erflater de offerte heeft ondertekend, zal gedaagde moeten bewijzen dat de handtekening van erflater is. Gedaagde heeft echter niet aangeboden om dat bewijs te leveren. Het aanbod in de conclusie van antwoord om alle ingenomen stellingen dat de nalatenschap geen vorderingen meer op gedaagde heeft te bewijzen is daarvoor te algemeen. Bij gebrek aan een bewijsaanbod wordt aan bewijslevering van de echtheid van de handtekening niet toegekomen. Het moet er dus voor worden gehouden dat de handtekening onder de offerte niet van erflater is en dus levert de overgelegde offerte geen bewijs op van het sluiten van een licentieovereenkomst. Gedaagde heeft ook geen andere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan blijken dat erflater zelf de licentieovereenkomst heeft gesloten. Gedaagde betwist dat hij de overeenkomst met gebruik van de volmacht namens erflater heeft gesloten. Als hij dat inderdaad niet heeft gedaan, moet worden aangenomen dat er geen licentieovereenkomst tussen erflater en Spheeres tot stand gekomen. Daarmee ontbreekt een grond voor de overboeking door gedaagde van € 50.000,00 van de bankrekening van erflater naar Spheeres. Door die onverschuldigde betaling toch te verrichten heeft gedaagde als vertegenwoordiger niet de belangen van erflater behartigd op een manier die redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden. Datzelfde geldt overigens ook indien gedaagde de overeenkomst wel met gebruikmaking van de volmacht namens erflater heeft gesloten. Niet gesteld of gebleken is dat erflater enig belang had bij een licentie voor een uitgebreid bedrijfssoftwarepakket plus 80 uur consultancy en training terwijl hij daar wel € 50.000,00 voor heeft betaald. Als de aankoop van de licentie – zoals gedaagde stelt – eigenlijk bedoeld was als investering door erflater in het bedrijf van gedaagde, valt niet in te zien waarom het daarvoor nodig was om deze onzakelijke overeenkomst te sluiten. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat gedaagde door het sluiten van de overeenkomst en/of het onverschuldigd doen van overboekingen misbruik heeft gemaakt van zijn volmacht. Op grond van het bepaalde in punt 5. van de volmacht is gedaagde dan ook verplicht de schade die uit dat misbruik voortvloeit te vergoeden. Die schade bedraagt € 50.000,00. Het vermogen van erflater is immers ten onrechte met dat bedrag verminderd. Daar tegenover staat mogelijk de levering van het licentierecht, maar niet in geschil is dat die licentie voor erflater geen waarde had, omdat hij er geen gebruik van kon maken. Bovendien is het licentierecht – zo heeft gedaagde zelf aangegeven – persoonlijk en niet overdraagbaar en vertegenwoordigt daarom voor de nalatenschap geen waarde. Om die reden heeft gedaagde de licentie ook niet als actief opgenomen in zijn spreadsheets. Dat betekent dat de schade als gevolg van het onterechte gebruik van de volmacht door gedaagde gelijk is aan het bedrag van de overboekingen en dus € 50.000,00 bedraagt. Gedaagde zal niet, als gevorderd, worden veroordeeld dit bedrag te betalen aan de nalatenschap, omdat een deelgenoot geen vordering ten behoeve van de gemeenschap kan instellen tegen een andere deelgenoot. Dergelijke vorderingen moeten op de voet van art. 3:184 BW Pro en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap worden betrokken. De rechtbank zal het door gedaagde verschuldigde bedrag daarom in het kader van de gevorderde verdeling op het aandeel van gedaagde toerekenen .
4.9.
Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van opzettelijke verzwijging door gedaagde van deze vordering. Pas in deze procedure is door eiseres een vordering tot vergoeding van schade tegen gedaagde ingesteld, is de handtekening van erflater betwist en is vastgesteld dat gedaagde misbruik heeft gemaakt van de volmacht. Ten tijde van het opstellen van de spreadsheets hoefde gedaagde er nog geen rekening mee te houden dat de nalatenschap een vordering op hem zou hebben. Het aandeel van gedaagde in het vorderingsrecht zal daarom niet zoals gevorderd verbeurd worden verklaard.
Pijnpunt 3: privé overboekingen € 22.358,00
4.10.
In de periode eind januari tot en met begin mei 2018 heeft gedaagde met gebruikmaking van de volmacht in totaal € 22.358,00 van de bankrekening van erflater overgeboekt naar zijn privé bankrekening. Volgens gedaagde ging het om verrekening met door hem eerder voorgeschoten bedragen. In dagvaarding stelde eiseres zich nog op het standpunt dat gedaagde geen van de door hem voorgeschoten bedragen had onderbouwd, maar na de conclusie van antwoord, waarin gedaagde diverse posten heeft toegelicht en facturen heeft overgelegd, betwist eiseres niet langer alle voorgeschoten bedragen. Uit de als productie 29 overgelegde tabel blijkt dat zij opgeteld nog een bedrag van € 4.017,80 betwist. Naar de toelichting die eiseres in productie 29 heeft gegeven is in de akte verder niet verwezen. Dit deel van productie 29 zal de rechtbank daarom buiten beschouwing laten met uitzondering van het gedeelte over de reparatie van de auto. Ter zitting heeft eiseres daar wel uitdrukkelijk naar verwezen en heeft zij gezegd dat zij betwist dat € 1.595,-” door gedaagde is voorgeschoten, omdat erflater allrisk verzekerd was.
4.11.
De rechtbank overweegt het volgende. Vaststaat dat gedaagde in 2018 € 22.358,00 heeft overgeboekt van de bankrekening van erflater naar zijn eigen bankrekening. Voor een bedrag van in totaal € 5.612,80 heeft gedaagde niet (voldoende) onderbouwd en/of toegelicht dat het gaat om door hemzelf of zijn bedrijven ten behoeve van erflater voorgeschoten bedragen. Het moet er daarom voor worden gehouden dat gedaagde € 5.612,80 zonder grondslag naar zichzelf heeft overgemaakt. De daardoor ontstane vordering van de nalatenschap zal bij de verdeling op het aandeel van gedaagde worden toegerekend.
4.12.
Ter zitting heeft gedaagde gezegd dat hij privé ook nog € 1.605,00 aan onkosten in het kader van de erfenis heeft betaald. Eiseres betwist echter dat die betaling verband houdt met de nalatenschap van erflater en gedaagde heeft zijn stelling vervolgens niet nader onderbouwd. De rechtbank zal deze betaling daarom verder buiten beschouwing laten.
4.13.
Anders dan eiseres vordert, zal de rechtbank het aandeel van gedaagde in de vordering van de nalatenschap tot betaling van € 5.612,80 niet verbeurd verklaren. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd dat gedaagde deze vordering opzettelijk voor haar heeft verzwegen. Partijen zijn het niet eens (geworden) over de hoogte van het bedrag dat door gedaagde is voorschoten waarna eiseres in deze procedure een vordering tegen gedaagde ingesteld waar gedaagde verweer tegen heeft gevoerd. Onder die omstandigheden kan niet gezegd worden dat gedaagde van begin af aan heeft geprobeerd het in dit vonnis pas vastgestelde vorderingsrecht te verzwijgen.
4.14.
De conclusie van wat hiervoor is overwogen is dat gedaagde in totaal nog € 55.612,80 aan de nalatenschap verschuldigd is, te vermeerderen met de wettelijke rente over de overboekingen vanaf de datum van de betreffende overboekingen. Gedaagde heeft tegen die rente en de ingangsdatum daarvan geen verweer gevoerd. Genoemd bedrag inclusief de verschuldigde wettelijke rente zal bij de verdeling op het aandeel van gedaagde in de nalatenschap worden toegerekend. Nu de rechtbank heeft overwogen dat van opzettelijke verzwijging door gedaagde geen sprake is, zal de onder 2 gevorderde verklaring voor recht worden afgewezen.
Omvang nalatenschap en wijze van verdeling
4.15.
De netto nalatenschap van erflater bedraagt € 283.658,68 plus de in dit vonnis vastgestelde vordering op gedaagde van in totaal € 55.612,80. De nalatenschap komt daarmee uit op € 339.271,48, te vermeerderen met de door gedaagde over de overboekingen verschuldigde wettelijke rente. Eiseres en gedaagde hebben als erfgenamen ieder recht op de helft daarvan. De door eiseres onder 3. gevorderde verklaring voor recht met betrekking tot haar aandeel in de nalatenschap zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 169.635,74, te vermeerderen met de helft van de wettelijke rente over € 55.612,80 vanaf de datum van de betreffende overboekingen.
4.16.
Beide partijen hebben ieder al een voorschot op hun aandeel in de nalatenschap ontvangen: eiseres € 95.014,50 en gedaagde € 92.774,58. Het resterende deel van de nalatenschap zal aldus moeten worden verdeeld dat aan eiseres nog een bedrag van € 74.621,24 wordt uitgekeerd te vermeerderen met de helft van de wettelijke rente over € 55.612,80 vanaf de datum van de betreffende overboekingen. Aan gedaagde zal na toerekening op zijn aandeel van in totaal € 55.612,80, vermeerderd met de wettelijke rente over € 55.612,80 vanaf de datum van de betreffende overboekingen, nog moeten worden uitgekeerd een bedrag van € 21.248,36 te vermeerderen met de helft van de wettelijke rente over € 55.612,80 vanaf de datum van de betreffende overboekingen.
4.17.
Gelet op de familierechtelijke relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat het aandeel van eiseres in de nalatenschap € 169.635,74 bedraagt, te vermeerderen met de helft van de wettelijke rente over € 55.612,80 vanaf de datum van de betreffende overboekingen,
5.2.
stelt de wijze van verdeling van de nalatenschap vast als hiervoor in rechtsoverweging 4.16 is overwogen,
5.3.
verklaart dit vonnis voor wat betreft 5.2 uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2022. [1]

Voetnoten

1.type: 977