Beoordeling door de rechtbank
9. In geschil is of eiser recht heeft op een hogere aftrek specifieke zorgkosten in de jaren 2015 en 2016 en op een kostenvergoeding voor de bezwaarfase.
10. Eiser stelt dat ten onrechte navorderingsaanslagen zijn opgelegd en dat de uitspraak op bezwaar te laat is gedaan en niet aan de wettelijke vereisten voldoet. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte de aftrek van specifieke zorgkosten conform de aangiften heeft geweigerd. Tenslotte stelt eiser dat verweerder ten onrechte geen kostenvergoeding heeft toegekend in de bezwaarfase. Eiser concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen.
11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de navorderingsaanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Verder stelt verweerder dat eiser geen recht heeft op een hogere aftrek specifieke zorgkosten. Tenslotte stelt verweerder dat eiser geen recht heeft op kostenvergoeding in de bezwaarfase. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van de beroepen.
12. De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar tegen de navorderingsaanslagen. De vragen of is voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor het opleggen van navorderingsaanslagen, of de uitspraken op de daartegen gerichte bezwaarschriften op tijd zijn gedaan en of deze aan de wettelijke vereisten voldoen, kunnen in de onderhavige beroepen daarom niet aan de orde komen.
13. Eiser heeft op 8 september 2020 een verzoek om ambtshalve vermindering voor (onder meer) de jaren 2015 en 2016 ingediend. Dit verzoek is deels afgewezen door verweerder bij voor bezwaar vatbare beschikkingen met dagtekening 4 februari 2021. Vervolgens heeft eiser op 22 februari 2021 opnieuw een verzoek om ambtshalve vermindering voor de jaren 2015 en 2016 ingediend. Aangezien dit verzoekschrift is ontvangen binnen de bezwaartermijn van voormelde voor bezwaar vatbare beschikkingen, had verweerder dit verzoekschrift inderdaad zoals hij stelt als bezwaarschrift moeten aanmerken en niet als nieuw verzoekschrift. Verweerder heeft op het verzoekschrift echter bij verminderingsbeschikkingen van 8 mei 2021 inhoudelijk beslist, en hiertegen is tijdig beroep ingesteld door eiser. Eiser is dus door deze gang van zaken niet benadeeld.
Extra uitgaven voor kleding en beddengoed
14. Op grond van artikel 6.17 eerste lid, aanhef en onderdeel g, van de Wet IB 2001, jo. artikel 38, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Wet IB 2001 kunnen extra uitgaven voor kleding en beddengoed, die het gevolg zijn van ziekte of invaliditeit, in aftrek worden gebracht. Er moet dan wel sprake zijn van een ziekte of invaliditeit die ten minste een jaar heeft geduurd of vermoedelijk zal duren.
15. De rechtbank stelt voorop dat op eiser, als degene die de aftrek claimt, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat recht bestaat op de aftrekpost. Verweerder heeft de aftrek voor eiser goedgekeurd, maar de aftrek voor diens echtgenote geweigerd. Eiser heeft geen stukken overgelegd waaruit afgeleid kan worden dat voor zijn echtgenote extra uitgaven voor kleding en beddengoed zijn gedaan. Eiser heeft deze uitgaven daarom niet aannemelijk gemaakt voor de jaren 2015 en 2016. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aftrekpost voor extra beddengoed voor de echtgenote heeft kunnen weigeren.
Genees-en heelkundige hulp
16. Op grond van artikel 6.17, eerste lid, sub a van de Wet IB komen uitgaven die naar hun aard als medische behandelingen zijn te kwalificeren in aanmerking voor aftrek als uitgaven wegens ziekte of invaliditeit. Tot kosten voor genees- en heelkundige hulp behoren bijvoorbeeld de kosten van een huisarts, medicijnen of verpleging.
17. Eiser verzoekt om aftrek van € 294 (2015) en van €175 (2016) voor uitgaven voor genees- en heelkundige hulp. Eiser heeft geen facturen, bankafschriften, nota’s of andere bewijstukken overgelegd ter onderbouwing van deze aftrekposten. Eiser heeft toegelicht dat hij deze stukken niet heeft bewaard, omdat er al een primitieve aanslag was vastgesteld.
18. De rechtbank stelt voorop dat op eiser, als degene die de aftrek claimt, de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat recht bestaat op de aftrekpost. De omstandigheid dat er geen bewaarplicht bestaat voor particulieren, maakt dit niet anders. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aftrek heeft kunnen weigeren, aangezien eiser onvoldoende heeft onderbouwd daarvoor in aanmerking te komen.
19. Eiser heeft aan zijn betoog dat verweerder ten onrechte geen vergoeding van de kosten in de bezwaarfase heeft toegekend ten grondslag gelegd dat verweerder deels tegemoet is gekomen aan het bezwaarschrift.
20. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser geen recht heeft op een proceskostenvergoeding in de bezwaarfase, aangezien hij eiser in deze fase niet tegemoetgekomen is en ook overigens geen sprake is van verwijtbare onrechtmatigheid.
21. De rechtbank stelt voorop dat de kosten voor de bezwaarfase uitsluitend worden vergoed voor zover de uitspraak op bezwaar wordt vernietigd wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid (artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht). De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser bij de verminderingsbeschikkingen van 8 mei 2021 die als uitspraak op bezwaar hebben te gelden op het punt van de dieetkosten tegemoetgekomen is. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat van aan hem te wijten onrechtmatigheid geen sprake is. De dieetverklaringen die verweerder in bezwaar als bewijs heeft geaccepteerd waren weliswaar al eerder verstrekt, maar naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarmee in redelijkheid niet zonder meer genoegen behoeven te nemen. Een stempel van een arts of diëtist ontbrak immers op de verklaringen, en deze bevatten overigens geen informatie waaruit afgeleid kan worden dat het gaat om een dieet op medisch voorschrift zoals wettelijk vereist. Verweerder heeft eiser reeds voorafgaand aan de bezwaarfase bij de behandeling van het verzoek gewezen op het ontbreken van een stempel en eiser heeft daarop niet gereageerd. Verweerder heeft vervolgens zelf contact opgenomen met de diëtist en na diens telefonische bevestiging van de authenticiteit van de dieetverklaringen de dieetkosten als aftrekpost geaccepteerd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een kostenvergoeding in de bezwaarfase voor eiser.