Eiser heeft voor het jaar 2017 een aanslag inkomstenbelasting ontvangen waarbij hij specifieke zorgkosten, waaronder reiskosten naar Suriname voor medische behandeling, in aftrek wilde brengen. Verweerder stelde dat een eerdere afspraak over aftrek van deze reiskosten per 1 januari 2017 was opgezegd en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de reizen hadden plaatsgevonden.
De rechtbank oordeelde dat eiser het tegendeel van de opzegging niet aannemelijk had gemaakt en dat de reiskosten daarom niet in aftrek konden worden toegelaten. Wel werd het beroep gegrond verklaard omdat verweerder de aanslag tijdens de beroepsfase had verminderd op basis van nieuwe gegevens over dieetkosten.
Daarnaast werd vastgesteld dat de redelijke termijn voor de beroepsfase was overschreden, waardoor eiser recht had op een vergoeding van € 500 voor immateriële schade. De rechtbank wees een proceskostenvergoeding toe aan eiser, maar veroordeelde de Staat niet tot betaling van de proceskosten omdat de vermindering van de aanslag pas in de beroepsfase bekend werd.
De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Walderveen op 28 april 2022 te Haarlem. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Amsterdam.