Eiseres, geboren in 1952, bereikte in 2018 de pensioengerechtigde leeftijd en ontving een pensioen en AOW-uitkering. Voor het jaar 2018 werd haar een aanslag inkomstenbelasting opgelegd op basis van een belastbaar inkomen uit werk en woning van €7.688. Eiseres maakte bezwaar tegen de aanslag en stelde dat zij geen aanslag had mogen krijgen omdat zij niets verkeerd had gedaan en de wetgever voorziet dat belastingplichtigen die uitsluitend AOW ontvangen na pensioengerechtigde leeftijd niet geconfronteerd worden met een aanslag.
De rechtbank oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd, omdat eiseres naast haar AOW-uitkering ook een pensioen ontving, waardoor zij niet voldoet aan de uitzondering in artikel 9.4, derde lid, van de Wet IB 2001. De stelling van eiseres dat de wet beoogt dat belastingplichtigen in haar situatie niet geconfronteerd mogen worden met een aanslag, wordt niet ondersteund door de wet.
Daarnaast is vastgesteld dat de behandeling van het bezwaar en beroep de redelijke termijn heeft overschreden, waardoor eiseres recht heeft op een immateriële schadevergoeding van €1.000. De rechtbank veroordeelt verweerder en de Staat der Nederlanden tot vergoeding van deze schade en de proceskosten. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.