ECLI:NL:RBNHO:2022:9722

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 oktober 2022
Publicatiedatum
2 november 2022
Zaaknummer
9484275 \ CV EXPL 21-6838
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering compensatie vluchtvertraging wegens buitengewone omstandigheden

AirHelp vordert compensatie namens passagiers voor een vluchtvertraging van meer dan drie uur op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De passagiers werden vertraagd van Amsterdam via Frankfurt naar Dresden, waardoor zij hun aansluitende vlucht misten.

De vervoerder stelt dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden, namelijk slotrestricties opgelegd door het luchtverkeersbeheer vanwege slechte weersomstandigheden en luchtverkeersmanagement, en dat hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen, waaronder het omboeken van passagiers.

De kantonrechter oordeelt dat de vervoerder met vluchtrapporten en communicatie van het luchtverkeersbeheer voldoende heeft bewezen dat de vertraging hoofdzakelijk werd veroorzaakt door buitengewone omstandigheden, zoals de CTOT’s (gecoördineerde vertrektijden) opgelegd door de luchtverkeersleiding. Ook de doorwerking van deze vertraging op aansluitende vluchten is vastgesteld.

Verder is vastgesteld dat de vervoerder een buffer van 20 minuten hanteerde tussen de vluchten en dat passagiers zijn omgeboekt naar de eerstvolgende beschikbare vlucht. AirHelp kon niet aantonen dat de vervoerder tekort is geschoten in het treffen van redelijke maatregelen.

De vordering wordt daarom afgewezen en AirHelp wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wordt afgewezen omdat de vertraging het gevolg was van buitengewone omstandigheden en de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9484275 \ CV EXPL 21-6838 (RH)
Uitspraakdatum: 19 oktober 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Limited
gevestigd te Hong Kong (China)
eiser
hierna te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Deutsche Lufthansa AG
gevestigd te Keulen (Duitsland)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mrs. E.A. Pluijm en L.E. Schalk

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft bij dagvaarding van 21 september 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 3], [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (hierna: de passagiers) hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 25 september 2019 diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport (AMS) via Frankfurt am Main Airport (FRA), Duitsland, naar Dresden Airport (DRS), Duitsland.
2.2.
De vlucht van Amsterdam naar Frankfurt, met vluchtnummer LH993, heeft vertraging opgelopen, waardoor de passagiers de aansluitende vlucht naar hun eindbestemming hebben gemist. De passagiers zijn omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarna zij met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben hun vermeende vordering op de vervoerder middels cessie overgedragen aan AirHelp.
2.4.
AirHelp heeft compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.5.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.250,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 september 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 1.250,00.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Hij voert aan dat de vertraging het gevolg is van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
Vast staat dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur zijn aangekomen op de eindbestemming te Dresden, zodat de vervoerder op grond van de Verordening in beginsel gehouden is de compensatie als bedoeld in de Verordening te voldoen. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. Dit artikel dient volgens het Hof restrictief te worden uitgelegd omdat het gaat om een afwijking van het beginsel dat passagiers recht hebben op compensatie (Walletin-Hermann C-549/07).
5.3.
De vraag die thans voorligt is of de vervoerder met de door hem overgelegde producties en zijn toelichting daarop, voldoende heeft aangetoond dat de langdurige vertraging van de passagiers op de eindbestemming het gevolg is geweest van (doorwerking van) buitengewone omstandigheden die hij niet had kunnen voorkomen.
5.4.
De vervoerder voert aan dat de vlucht onderdeel uitmaakt van rotatievluchten (Frankfurt – Amsterdam – Frankfurt). De vertraging van de vlucht is veroorzaakt door slotrestricties die door het luchtverkeersbeheer zijn afgegeven aan zowel de voorafgaande vlucht (met vluchtnummer LH992) als de onderhavige vlucht, aldus de vervoerder.
5.5.
Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de vervoerder onder meer het vluchtrapport van vlucht LH992 overgelegd. Uit het vluchtrapport volgt dat deze vlucht 4 minuten is vertraagd wegens vertragingscode 87, hetgeen staat voor: “
AIRPORT FACILITIES, parking stands, ramp congestion, lighting, buildings, gate limitations, etc”, en 37 minuten is vertraagd wegens vertragingscode 84, hetgeen staat voor: “
ATFM due to WEATHER AT DESTIGNATION”. De vervoerder heeft ten aanzien van vlucht LH992 tevens de ‘
Slot Allocation Message’(SAM) en de ‘
Slot Revision Messages’ (SRM) overgelegd, waaruit volgt dat het luchtverkeersbeheer aan het toestel dat deze vlucht zou uitvoeren meerdere keren een nieuwe ‘
Calculated Take Off Time’ (CTOT) heeft opgelegd. De vervoerder heeft toegelicht dat het luchtverkeersbeheer de ‘
Estimated Off Block Date’ (EOBD) verving voor een nieuwe CTOT van 11:45 uur (UTC). Aan vlucht LH992 is uiteindelijk middels een SRM een nieuwe CTOT opgelegd (11:31 uur UTC), welke ook is gebruikt. Uit de SAM en SRM volgt dat de CTOT’s zijn opgelegd wegens vertragingscode “
REGCAUSE WA 84”, hetgeen duidt op vertragingscode 84. Zodoende is de vertraging van 41 minuten die vlucht LH992 heeft opgelopen hoofdzakelijk (in ieder geval voor de duur van 37 minuten) veroorzaakt door de door het luchtverkeersbeheer afgegeven slotrestricties in verband met de slechte weersomstandigheden te Amsterdam, aldus de vervoerder.
5.6.
De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter met de door hem overgelegde stukken en zijn toelichting daarop voldoende aangetoond dat de luchtverkeersleiding meerdere CTOT’s heeft opgelegd aan het toestel dat vlucht LH992 uitvoerde. Wanneer een vlucht een CTOT opgelegd krijgt heeft deze vlucht niet de mogelijkheid om toch eerder te vertrekken. Een CTOT moet immers altijd worden opgevolgd. Naar het oordeel van de kantonrechter is in dit geval de opgelegde CTOT dan ook aan te merken als een buitengewone omstandigheid. Een CTOT is immers niet inherent aan de normale bedrijfsuitoefening en ligt buiten de macht van een luchtvaartmaatschappij.
5.7.
AirHelp betwist dat de vervoerder zich ten alle tijden aan de nieuwe, door de luchtverkeersleiding opgelegde, CTOT moest houden. Volgens AirHelp is vlucht LH992 met een vertraging van 41 minuten, om 11:21 uur (UTC) vertrokken, terwijl uit het SRM bericht volgt dat een CTOT is opgelegd voor 11:31 uur (UTC). Hieruit volgt dat niet kan worden uitgesloten dat geen volledig overzicht is overgelegd, aldus AirHelp. De vervoerder heeft in dit verband toegelicht dat een CTOT een tijdperiode betreft waarbinnen een vliegtuig mag opstijgen, namelijk vijf minuten voor en tien minuten na de CTOT. Een CTOT heeft volgens de vervoerder derhalve betrekking op het moment van opstijgen. In een vluchtrapport wordt echter het moment van vertrek van de blokken (
offblock), oftewel het moment van vertrek bij de gate, aangegeven als het moment van vertrek, aldus de vervoerder. Volgens de vervoerder is de vlucht binnen de laatst afgegeven CTOT – vijf minuten voor en tien minuten na 11:31 uur (UTC) – opgestegen, nu de vlucht daadwerkelijk om 11:37 uur (UTC) (zijnde 6 minuten na de afgegeven CTOT) is opgestegen. Gelet op deze toelichting van de vervoerder kan het standpunt van AirHelp naar het oordeel van de kantonrechter geen stand houden.
5.8.
Voorts is volgens AirHelp onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de luchtverkeersleiding een CTOT heeft opgelegd aan het toestel dat vlucht LH992/LH993 zou uitvoeren. Uit de tekst van de luchtverkeersleiding valt niet af te leiden dat de CTOT specifiek is gericht aan vlucht LH992, waardoor van (doorwerking van) een buitengewone omstandigheid geen sprake kan zijn, aldus AirHelp. De vervoerder heeft in de overgelegde stukken toegelicht dat uit de SAM en SRM’s volgt dat de CTOT’s wel degelijk aan vlucht LH992 zijn afgegeven, nu in de SAM en SRM’s telkens staat vermeld dat de CTOT is afgegeven aan “ARCID DLH992” op “EOBD 190925” (= 25 september 2019). Naar het oordeel van de kantonrechter heeft de vervoerder met de SAM en SRM’s – in samenhang met deze gegeven toelichting – voldoende onderbouwd dat de CTOT’s zijn afgegeven aan vlucht LH992, welke op 25 september 2019 zou vertrekken.
5.9.
Voorts heeft de vervoerder met een verwijzing naar het vluchtrapport van vlucht LH993 onderbouwd dat deze vlucht 35 minuten is vertraagd als gevolg van de vertraagde aankomst van de voorgaande vlucht. De vluchtgegevens van vlucht LH993 vermelden vertragingscode 93, hetgeen staat voor: “
AIRCRAFT ROTATION, late arrival of aircraft from another flight or previous sector”. De vervoerder heeft naar het oordeel van de kantonrechter hiermee voldoende aangetoond dat de vertraging van vlucht LH992 direct effect heeft gehad op de uitvoering van de onderhavige vlucht. Nu reeds is vastgesteld dat 37 minuten van de vertraging van vlucht LH992 is ontstaan als gevolg van een buitengewone omstandigheid, werkt deze vertraging naar het oordeel van de kantonrechter dan ook door naar de vlucht in kwestie.
5.10.
Tevens volgt uit deze vluchtgegevens dat de onderhavige vlucht met 26 minuten is vertraagd wegens vertragingscode 89, hetgeen staat voor: “
RESTRICTIONS AT AIRPORT OF DEPARTURE WITH OR WITHOUT ATFM RESTRICTIONS”. Volgens de vervoerder heeft vertragingscode 89 betrekking op de extra tijd dat een vliegtuig door het luchtverkeersbeheer bij de gate wordt gehouden in verband met efficiency-redenen en/of milieuredenen. Het betrof in dit geval een restrictie zonder ATFM, waardoor volgens de vervoerder ten aanzien van deze vertraging geen SAM of SRM voorhanden zijn waaruit deze restricties blijken. Dat het luchtverkeersbeheer deze restricties heeft opgelegd blijkt zodoende uitsluitend uit de vluchtgegevens van de onderhavige vlucht, aldus de vervoerder. Nu AirHelp niet heeft weersproken dat de vertraging wegens code 89 een buitengewone omstandigheid oplevert, is voor de kantonrechter in het onderhavige geval komen vast te staan dat de vertraging voor de duur van 26 minuten wegens vertragingscode 89 het gevolg is van buitengewone omstandigheden.
5.11.
De kantonrechter is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de uiteindelijke vertraging van de passagiers van meer dan drie uur op de eindbestemming het directe gevolg is geweest van de vertraagde uitvoering van de vlucht. De vlucht is uiteindelijk met een vertraging van 72 minuten aangekomen in Frankfurt waarvan 61 minuten is toe rekenen aan (doorwerking van) buitengewone omstandigheden. Deze vertraging van 61 minuten heeft het voor de passagiers onmogelijk gemaakt om de aansluitende vlucht LH214 naar Dresden te halen. De vertraging op de eindbestemming van de passagiers is dan ook het gevolg van buitengewone omstandigheden.
5.12.
Voorts dient de vraag te worden beantwoord of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. Niet in geschil is dat tussen de aansluitende vluchten een overstaptijd van 65 minuten was ingepland en dat de minimale overstaptijd te Frankfurt 45 minuten bedraagt. De vervoerder heeft dus een ‘buffer’ van 20 minuten gehanteerd, hetgeen door de kantonrechter als voldoende wordt gekwalificeerd. Voorts heeft de vervoerder aangevoerd dat hij de passagiers heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare vlucht, hetgeen AirHelp niet heeft betwist. In de gegeven omstandigheden kon er niet meer van de vervoerder worden verwacht. Dat er volgens AirHelp, sprake was van goed vliegweer en de vlucht niet vertraagd was ten gevolge van slechte weersomstandigheden, doet er niet aan af dat de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging te voorkomen. De conclusie is dat de vordering van AirHelp zal worden afgewezen.
5.13.
De proceskosten komen voor rekening van AirHelp, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten komen voor rekening van AirHelp, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 374,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt AirHelp tot betaling van € 93,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.3.
verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter