De moeder verzocht de rechtbank om het door huwelijk ontstane vaderschap van de man over haar twee minderjarige kinderen te ontkennen en voorwaardelijk het vaderschap van de biologische vader gerechtelijk vast te stellen. Dit verzoek werd ondersteund door een DNA-rapport waaruit bleek dat de vader de biologische verwekker is, terwijl de man niet de biologische vader is. De man verscheen niet op de zitting en liet het verzoek onweersproken.
De rechtbank oordeelde dat zij rechtsmacht heeft op grond van het feit dat de moeder, vader en minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Het toepasselijke recht is Nederlands recht, gelet op de verblijfstitel van de moeder en de Nederlandse nationaliteit van de vader. De rechtbank verklaarde de moeder ontvankelijk in haar verzoek, ook ten aanzien van de oudste minderjarige ondanks een termijnoverschrijding, mede omdat de man pas later als vader op de geboorteakte is geregistreerd.
De rechtbank volgde de moeder en bijzondere curator in het belang van de kinderen en stelde het vaderschap van de biologische vader gerechtelijk vast met terugwerkende kracht tot de geboorte van de kinderen. Tevens werd de geslachtsnaam van de minderjarigen gewijzigd in die van de vader. De beslissing over de ontkenning van het vaderschap en de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap werd in één beschikking genomen, ondanks de richtlijn die dit normaliter niet aanbeveelt, vanwege de bijzondere omstandigheden en het belang van terugwerkende kracht en nationaliteit.
De beschikking is in het openbaar uitgesproken op 4 november 2022 en kan binnen drie maanden worden aangevochten door hoger beroep bij het gerechtshof Amsterdam.