Eiser verzocht om een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van de derde bouwlaag van zijn woning. Verweerder weigerde deze vergunning, stellende dat het project in strijd was met het bestemmingsplan vanwege overschrijding van de maximale goothoogte en het niet voldoen aan de trend in dakopbouwen in het straatbeeld.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte de bestaande en nieuwe dakopbouw als één geheel heeft beoordeeld, maar bevestigde dat deze bouwkundig niet van elkaar te onderscheiden zijn. De weigering was mede gebaseerd op het argument dat het achterdakvlak niet voldeed aan de vereiste hellingshoek van 70 graden, wat volgens verweerder strijdig was met de trend.
De rechtbank stelde vast dat de trend betrekking heeft op het zichtbare straatbeeld en dat de achterzijde van de dakopbouw niet zichtbaar is vanaf de straat. Hierdoor kon niet worden geconcludeerd dat het project in strijd was met de trend. Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom de vergunning geweigerd werd, terwijl het verlenen juist zou leiden tot een eenvormiger straatbeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en droeg verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.