Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De procedure
2.De feiten
IN AANMERKING NEMENDE:
VERKLAREN ALS VOLGT:
Rechtbank Noord-Holland
Eiser en zijn zus verkregen in 2017 erfpachtrecht op meerdere percelen met daarop een woonhuis en andere opstallen. Eiser wilde een nieuw woonhuis bouwen op een van deze percelen. In 2018 en 2019 werden intentieverklaringen en leningsovereenkomsten gesloten tussen eiser en Intermed Advies B.V., waarbij Intermed onder meer een deel van de percelen kocht en een lening verstrekte aan eiser. Tevens werd DHPO opgericht, een projectontwikkelaar waarvan Intermed bestuurder en aandeelhouder is.
Eiser vorderde dat Intermed c.s. verplicht werden een woning voor hem te bouwen, conform specificaties en begroting, en dat hij schadevergoeding kreeg wegens niet-nakoming en verzuim. Intermed c.s. betwistten een bouwverplichting vanwege opschortende voorwaarden die nog niet vervuld waren, en dat DHPO contractpartij zou zijn.
De rechtbank oordeelde dat DHPO niet contractueel gebonden is tot bouw voor eiser. Ten aanzien van Intermed erkende de rechtbank dat een bouwafspraak bestond, maar dat deze onder twee opschortende voorwaarden stond die nog niet waren vervuld, waardoor geen nakoming kon worden gevorderd. Hierdoor is geen sprake van tekortkoming of verzuim en kon eiser de overeenkomst niet gedeeltelijk ontbinden of ontbindingsschade vorderen.
De vorderingen van eiser werden afgewezen en hij werd veroordeeld in de proceskosten. De rechtbank legde een kostenveroordeling op aan eiser ten gunste van Intermed c.s., inclusief griffierecht en advocaatkosten, met wettelijke rente en uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van eiser af en veroordeelt hem in de proceskosten.