Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2022:9905

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 november 2022
Publicatiedatum
9 november 2022
Zaaknummer
9606740 \ CV EXPL 21-8742
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 1 sub a Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 8 lid 1 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 2 sub b Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 13 Verordening (EG) nr. 261/2004Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervoerder gehouden tot restitutie vliegtickets bij geannuleerde aansluitende vlucht

De zaak betreft een geschil tussen passagiers en de vervoerder Consortium Scandinavian Airlines System (SAS) over de restitutie van vliegtickets voor een geannuleerde vlucht SK556, uitgevoerd door Thai Airways. De passagiers vorderen terugbetaling van de ticketprijs en bijkomende kosten op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder betwistte haar verantwoordelijkheid omdat de passagiers via een tussenpersoon bij Thai Airways hadden geboekt en stelde dat Thai Airways als uitvoerende luchtvaartmaatschappij moest worden aangemerkt. De rechtbank verwijst naar jurisprudentie van het Hof van Justitie van de EU die bepaalt dat elke luchtvaartmaatschappij die een deel van een aansluitende vlucht uitvoert aansprakelijk is voor restitutie en compensatie, ongeacht welke vlucht de annulering veroorzaakte.

De rechtbank stelt vast dat de vervoerder het traject Amsterdam-Stockholm en vice versa daadwerkelijk heeft uitgevoerd en daarmee als uitvoerende luchtvaartmaatschappij kwalificeert. Daarom is de vervoerder gehouden tot restitutie van de ticketprijs. Tevens worden wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten toegewezen. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Vervoerder is gehouden tot restitutie van vliegtickets, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9606740 \ CV EXPL 21-8742
Uitspraakdatum: 9 november 2022
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

2.
[eiser 2]beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigden mr. R. Bos en R. Kuilman (Aviclaim)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Consortium Scandinavian Airlines System (SAS)
gevestigd te Stockholm (Zweden), mede kantoorhoudende te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigden mr. A. Muhammad en mr. A.C. Fresacher (Pels Rijcken)

1.Het verdere procesverloop

1.1.
Op 21 september 2022 is in deze zaak een tussenvonnis gewezen (hierna: het tussenvonnis). Voor het verloop van de procedure tot dan toe verwijst de kantonrechter naar wat daarover in het tussenvonnis is overwogen. De kantonrechter blijft bij wat in het tussenvonnis is overwogen en beslist.

2.De verdere beoordeling

2.1.
Tussen partijen staat vast dat vlucht SK556, die een waarde van € 3.918,42 vertegenwoordigt (hierna: de vlucht), door Thai Airways is geannuleerd. In geval van annulering door de vervoerder hebben passagiers op grond van artikel 5 lid 1 sub a juncto Pro 8 lid 1 van de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) (onder meer) recht op vergoeding van de volledige kosten van het ticket. De luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert is in beginsel gehouden deze restitutie binnen zeven dagen te voldoen.
2.2.
Partijen twisten over de vraag of de vervoerder de uitvoerende luchtvaartmaatschappij is geweest en aldus of de vervoerder gehouden is om het ticket te restitueren. Artikel 2 sub b van Pro de Verordening bepaalt dat onder ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ wordt verstaan: ‘
een luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert of voornemens is uit te voeren in het kader van een overeenkomst met een passagier of namens een andere natuurlijk of rechtspersoon die een overeenkomst heeft met die passagier’. De vervoerder voert aan dat de passagiers via Supersaver Travel B.V. bij Thai Airways twee vluchten hebben geboekt, te weten een vlucht van Amsterdam via Stockholm naar Bangkok en een vlucht van Bangkok via Stockholm naar Amsterdam. Hierbij heeft de vervoerder toegelicht dat hij voor Thai Airways het traject van Amsterdam naar Stockholm en het traject van Stockholm naar Amsterdam zou verzorgen. Volgens de vervoerder was Thai Airways echter verantwoordelijk voor de uitvoering van de vluchten. Dat de vervoerder een deel van de vlucht voor Thai Airways zou verzorgen, doet op grond van het Wirth/ Thomson Airways-arrest niet af aan het feit dat Thai Airways kwalificeert als de luchtvaartmaatschappij die de (geannuleerde) vlucht uitvoert (had moeten uitvoeren), aldus de vervoerder, zodat de passagiers bij Thai Airways moeten zijn. Dit betoog slaagt niet. De kantonrechter overweegt daartoe het volgende.
2.3.
Het Hof heeft in de overwegingen 28 en 29 van zijn beschikking van 12 november 2020 (C-367/20, ECLI:EU:C:2020:909) het volgende overwogen:

28 Wat de vraag betreft wie aansprakelijk is voor de betaling van de compensatie die verschuldigd is in geval van langdurige vertraging bij aankomst van rechtstreeks aansluitende vluchten, zoals die in het hoofdgeding, heeft het Hof verduidelijkt dat elke luchtvaartmaatschappij die ten minste één van deze rechtstreeks aansluitende vluchten heeft uitgevoerd deze compensatie verschuldigd is, ongeacht of de door haar uitgevoerde vlucht al dan niet aan de basis lag van de langdurige vertraging waarmee de passagier op zijn eindbestemming is aangekomen (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C‑502/18, EU:C:2019:604, punten 20‑26).
29 In dit verband heeft het Hof allereerst opgemerkt dat rechtstreeks aansluitende vluchten bestaande uit twee of meer vluchten die in het kader van één enkele boeking zijn aangekocht, zoals in punt 19 van de onderhavige beschikking in herinnering is gebracht, moeten worden gezien als één geheel, wat betekent dat een uitvoerende luchtvaartmaatschappij die de tweede vlucht heeft uitgevoerd zich in het kader van dergelijke vluchten niet kan verschuilen achter de slechte uitvoering van een eerdere vlucht door een andere luchtvaartmaatschappij (zie in die zin arrest van 11 juli 2019, České aerolinie, C-502/18, EU:C:2019:604, punt 27)”.
De kantonrechter is van oordeel dat deze beschikking ook van toepassing is op de situatie dat één van de rechtstreeks aansluitende vluchten is geannuleerd in plaats van langdurig vertraagd.
2.4.
In het onderhavige geval is niet in geschil dat de vervoerder effectief een deel van de vlucht zou uitvoeren, hetgeen ook blijkt uit de door de passagiers overgelegde boekingsbescheiden (waarop onder meer staat:
SK556 SAS Operated by SAS), terwijl de vervoerder ook heeft erkend dat hij het traject van Amsterdam naar Stockholm en vice versa zou uitvoeren. Dat dit deel van de vlucht niet aan de basis lag van de annulering, is gelet op de jurisprudentie van het Hof niet relevant. De vervoerder kan dus, overeenkomstig de beschikking van het Hof van 12 november 2020, als de ‘luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert’ worden aangemerkt. Dit geldt ook ten aanzien van de terugvlucht van de passagiers.
2.5.
De vervoerder heeft nog aangevoerd dat de passagiers de twee vluchten via Supersaver Travel B.V. bij Thai Airways hebben geboekt, maar dit maakt het oordeel niet anders. In overweging 13 van de Verordening is namelijk opgenomen dat passagiers van wie de vlucht wordt geannuleerd, hun tickets terugbetaald moeten krijgen. Een en ander betekent dat niet van belang is of rechtstreeks een contract is gesloten met de luchtvaartmaatschappij of dat de vlucht met tussenkomst van één of meer tussenpersonen is geboekt. De luchtvaartmaatschappij die (een deel van) de rechtstreeks aansluitende vluchten uitvoert, blijft ervoor verantwoordelijk dat bij annulering de ticketprijs aan de passagiers wordt terugbetaald. Gelet op het voorgaande is de vervoerder gehouden om het ticket aan de passagiers te restitueren.
2.6.
Nu de vervoerder voor het overige geen verweer heeft gevoerd, zal de vordering tot betaling van de hoofdsom worden toegewezen. De kantonrechter merkt hierbij wellicht ten overvloede nog op dat nakoming van de verplichtingen op grond van de Verordening de mogelijkheid voor de vervoerder onverlet laat om van een ieder die de annulering heeft veroorzaakt, ook van derden, terugbetaling te vorderen, zoals artikel 13 van Pro de Verordening bepaalt.
2.7.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
2.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Het gevorderde bedrag is gelijk aan het volgens het Besluit berekende tarief dat paste bij de totale hoofdsom, voordat de zaken voor de verschillende passagiers werden gesplitst. In de onderhavige zaak zal daarom het tarief worden toegewezen dat past bij de hoofdsom van deze zaak, te weten een bedrag van € 516,84. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 4.435,26, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.918,42 vanaf de vluchtdatum en over € 516,84 vanaf 13 december 2021 tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
3.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 127,24;
griffierecht € 244,00;
salaris gemachtigde € 747‬,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
3.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 124,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt;
3.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Jansen, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter