ECLI:NL:RBNHO:2023:10032
Rechtbank Noord-Holland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot achterwege laten voorwaardelijke invrijheidstelling wegens ernstige bezwaren tijdens detentie
Betrokkene is in 2018 veroordeeld tot negen jaar gevangenisstraf, waarvan de uitvoering begon op 27 januari 2017. De voorwaardelijke invrijheidstelling zou volgens artikel 6:2:10 Sv Pro (oud) plaatsvinden op 20 augustus 2024. Het Openbaar Ministerie vordert echter op grond van artikel 6:2:12 Sv Pro (oud) dat deze invrijheidstelling achterwege blijft vanwege ernstige bezwaren.
Deze ernstige bezwaren betreffen verdenking dat betrokkene tijdens detentie in mei 2019 een nieuwe motorclub heeft opgericht en leiding geeft aan een criminele organisatie, wat een herhaling is van het eerdere delict waarvoor hij veroordeeld werd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de voorlopige hechtenis voor deze nieuwe verdenking is bevolen en bevestigd, met een hoog recidiverisico.
De verdediging stelt dat de verdenking complex is en dat de vordering dient te worden afgewezen of aangehouden tot de strafzaak Odense wordt behandeld. De rechtbank wijst dit af omdat de ernstige bezwaren en voorlopige hechtenis zijn vastgesteld en de vordering tijdig en rechtsgeldig is ingediend.
De rechtbank concludeert dat betrokkene zich ernstig heeft misdragen tijdens de tenuitvoerlegging van zijn straf en dat de voorwaarden voor het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling zijn vervuld. De vordering wordt daarom toegewezen, waarbij het moment van daadwerkelijke invrijheidstelling niet wordt bepaald vanwege lopende procedures.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot het achterwege laten van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe vanwege ernstige bezwaren en hoog recidiverisico.