AirHelp vorderde namens een passagier compensatie van Royal Air Maroc wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op 16 juli 2022. De vordering was gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder betwistte de rechtsgeldigheid van de cessie van de vordering aan AirHelp, met name de authenticiteit van de handtekening op het cessieformulier.
De kantonrechter stelde vast dat voor een geldige cessie een authentieke of onderhandse akte en mededeling aan de debiteur vereist zijn. De handtekening op het cessieformulier week aanzienlijk af van die in het paspoort van de passagier, waardoor niet kon worden aangenomen dat de passagier het formulier zelf had ondertekend. AirHelp had dit niet nader onderbouwd, ondanks haar verplichting daartoe.
Daarom kon niet worden vastgesteld dat de vordering rechtsgeldig was overgedragen aan AirHelp. De kantonrechter verklaarde AirHelp niet-ontvankelijk in haar vordering en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten van de vervoerder.