ECLI:NL:RBNHO:2023:10391

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 oktober 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
10345880 \ CV EXPL 23-1068
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 159 lid 2 RvVerordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid AirHelp wegens niet-geslaagde cessie van compensatievordering luchtvaartvertraging

AirHelp vorderde namens een passagier compensatie van Royal Air Maroc wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur op 16 juli 2022. De vordering was gebaseerd op Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder betwistte de rechtsgeldigheid van de cessie van de vordering aan AirHelp, met name de authenticiteit van de handtekening op het cessieformulier.

De kantonrechter stelde vast dat voor een geldige cessie een authentieke of onderhandse akte en mededeling aan de debiteur vereist zijn. De handtekening op het cessieformulier week aanzienlijk af van die in het paspoort van de passagier, waardoor niet kon worden aangenomen dat de passagier het formulier zelf had ondertekend. AirHelp had dit niet nader onderbouwd, ondanks haar verplichting daartoe.

Daarom kon niet worden vastgesteld dat de vordering rechtsgeldig was overgedragen aan AirHelp. De kantonrechter verklaarde AirHelp niet-ontvankelijk in haar vordering en veroordeelde haar tot betaling van de proceskosten van de vervoerder.

Uitkomst: AirHelp wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtsgeldige cessie van de passagiersvordering.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10345880 \ CV EXPL 23-1068 (DB)
Uitspraakdatum: 18 oktober 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de vennootschap naar het recht van haar vestiging
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiseres
hierna te noemen AirHelp
gemachtigde mr. D.E. Lof
tegen
de buitenlandse vennootschap
Royal Air Maroc
gevestigd te Casablanca (Marokko)
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
gemachtigde mr. T. Teke

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft bij dagvaarding van 6 februari 2023 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
[betrokkene] (hierna: de passagier) heeft met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagier diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol naar Ibn Batouta Airport (Marokko) met vluchtnummer AT1643 op 16 juli 2022, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht heeft meer dan drie uur vertraging opgelopen/is.
2.3.
AirHelp heeft namens de passagier compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag van betaling;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op haar verweer wordt - voor zover relevant - bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De vervoerder voert primair aan dat geen sprake is van een rechtsgeldige cessie van de vordering van de passagier aan AirHelp en dat AirHelp daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Dit verweer slaagt. Daartoe wordt als volgt overwogen.
4.3.
Ingevolge artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek is voor een rechtsgeldige levering van een vorderingsrecht op naam een (authentieke of onderhandse) akte vereist en een mededeling van de cessie aan de debiteur door de vervreemder of verkrijger. In dit geval heeft AirHelp bij de dagvaarding een onderhandse akte in de vorm van een “assignment form” overgelegd dat door de passagier op 21 september 2022 ondertekend zou zijn. De vervoerder betwist de echtheid van de handtekening van de passagier op deze onderhandse akte. Hij heeft er op gewezen dat de handtekening van de passagier op het ‘assignment form’ niet overeenstemt met de handtekening van de passagier in het paspoort van de passagier. Naar het oordeel van de kantonrechter wijkt de handtekening van de passagier op het ‘assignment form’ in behoorlijke mate af van de handtekening op het paspoort van de passagier. Hierdoor kan niet zonder meer worden aangenomen dat het de passagier zelf is geweest die het ‘assignment form’ heeft ondertekend. AirHelp heeft nagelaten om dit bij repliek nader te onderbouwen, terwijl dit gelet op artikel 159 lid 2 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering wel op haar weg had gelegen. De verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 10 maart 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:713) kan AirHelp niet baten. Volgens AirHelp volgt hieruit dat de vervoerder de beschikkingsbevoegdheid en de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de persoon die namens de cedent de cessieakte tekent in beginsel niet behoeft te onderzoeken. De vervoerder heeft echter de beschikkingsbevoegdheid van de passagier niet betwist en van een persoon die namens de passagier het ‘assignment form’ heeft getekend, is geen sprake. De conclusie is dan ook dat niet is komen vast te staan dat het vorderingsrecht van de passagier is overgedragen aan de AirHelp, zodat AirHelp niet ontvangen kan worden in haar vordering. AirHelp zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.
4.4.
Bij deze uitkomst komen de proceskosten voor rekening van AirHelp.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart AirHelp niet-ontvankelijk in haar vordering;
5.2.
veroordeelt AirHelp tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag worden begroot op € 160,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder;
5.3.
verklaart dit vonnis, ten aanzien van de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter