Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hij stelde dat hij niet reed tijdens het bellen, maar stil stond voor een stoplicht en belde slechts kort naar zijn werkgever. De officier van justitie verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en zag af van hoorzitting.
De rechtbank oordeelde dat het beroep niet kennelijk ongegrond was en dat de hoorplicht daardoor was geschonden, wat de beslissing van de officier van justitie vernietigde. Uit de verklaring van de verbalisant bleek voldoende bewijs dat betrokkene de overtreding beging, en betrokkene bracht onvoldoende feiten aan om dit te betwisten.
De boete werd echter gematigd met 25% vanwege de schending van de hoorplicht. Daarnaast werd betrokkene een proceskostenvergoeding van €837 toegekend. De officier van justitie moet het teveel betaalde bedrag terugbetalen en de proceskosten vergoeden.