ECLI:NL:RBNHO:2023:10406

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
30 juni 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
10392557 \ WM VERZ 23-191
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WAHVArt. 14 WAHV
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke matiging boete voor vasthouden mobiel apparaat tijdens rijden

Betrokkene kreeg een boete opgelegd voor het vasthouden van een mobiel elektronisch apparaat tijdens het rijden. Hij stelde dat hij niet reed tijdens het bellen, maar stil stond voor een stoplicht en belde slechts kort naar zijn werkgever. De officier van justitie verklaarde het beroep kennelijk ongegrond en zag af van hoorzitting.

De rechtbank oordeelde dat het beroep niet kennelijk ongegrond was en dat de hoorplicht daardoor was geschonden, wat de beslissing van de officier van justitie vernietigde. Uit de verklaring van de verbalisant bleek voldoende bewijs dat betrokkene de overtreding beging, en betrokkene bracht onvoldoende feiten aan om dit te betwisten.

De boete werd echter gematigd met 25% vanwege de schending van de hoorplicht. Daarnaast werd betrokkene een proceskostenvergoeding van €837 toegekend. De officier van justitie moet het teveel betaalde bedrag terugbetalen en de proceskosten vergoeden.

Uitkomst: De boete voor vasthouden van een mobiel apparaat tijdens het rijden wordt gematigd tot €262,50 wegens schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Zaanstad
Zaaknummer : 10392557 \ WM VERZ 23-191
CJIB-nummer : 248756233
Uitspraakdatum : 30 juni 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
(hierna te noemen: betrokkene)
gemachtigde : mr. P.C. van den Aarsen , Verkeersboete.nl te Zoetermeer.

1.Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 20 juni 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. Gemachtigde van betrokkene is ook verschenen.
1.3.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren en stelt dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het beroep kennelijk ongegrond is verklaard.
1.4.
De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

2.Overwegingen

2.1.
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: als bestuurder tijdens het rijden een mobiel elektronisch apparaat vasthouden.
2.2.
De gemachtigde van betrokkene stelt dat het beroep ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard en dat de hoorplicht is geschonden.
2.3.
De kantonrechter overweegt dat de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond heeft verklaard en meegedeeld dat om die reden is afgezien van het horen. Nu de inhoud van het beroep het voor de officier van justitie noodzakelijk maakte de uit het dossier blijkende informatie met betrekking tot de constatering van de gedraging te raadplegen, kan niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond beroep. Dat betekent dat de beslissing van de officier van justitie moet worden vernietigd.
2.4.
De kantonrechter dient vervolgens te beoordelen of de inleidende beschikking in stand kan blijven.
2.5.
Betrokkene is het niet eens met de beslissing van de officier van justitie en heeft aangevoerd dat hij niet heeft gebeld tijdens het rijden, maar dat hij stil stond voor een stoplicht. Hij belde 18 seconden naar zijn werkgever om te laten weten dat hij wat later op zijn werk zou zijn. Betrokkene stelt zijn telefoon te hebben neergelegd voordat hij weer is gaan rijden.
2.6.
In de toelichting van het zaakoverzicht verklaart de verbalisant onder andere het volgende:
“…Wij, verbalisanten, zagen dat betrokkene Unlu zijn mobiele telefoon bediende terwijl hij zijn voertuig bestuurde. (…) Verklaring betrokkene: Ik wou snel zeggen dat ik te laat kwam voor mijn werk.“
2.7.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling van de gedraging. Dit is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de verklaring van de verbalisant dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Betrokkene heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die ertoe aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De boete is dus terecht opgelegd.
2.8.
De kantonrechter ziet wel aanleiding om de boete te matigen omdat de officier van justitie de hoorplicht heeft geschonden en betrokkene voor deze schending moet worden gecompenseerd. Onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Leeuwarden [1] , zal de kantonrechter het bedrag van de boete matigen met 25 procent. Het beroep is gelet op de matiging gedeeltelijk gegrond. De beschikking zal worden gewijzigd.
Proceskosten
2.9.
Het verzoek om een proceskostenvergoeding wordt toegewezen, omdat betrokkene gedeeltelijk gelijk krijgt. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht zullen die kosten worden vastgesteld op een bedrag van € 837,00 (2 punten voor het beroepschrift en de zitting, wegingsfactor 0,5, waarde per punt € 837,00).
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gegrond en vernietigt die beslissing;
‒ verklaart het beroep tegen de beschikking waarbij de boete is opgelegd gedeeltelijk gegrond;
‒ wijzigt de beschikking waarbij de boete is opgelegd, in die zin dat de boete wordt gematigd tot een bedrag van € 262,50 (met handhaving van de administratiekosten);
‒ bepaalt dat de officier van justitie het bedrag dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terugbetaalt.
‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene tot een bedrag van € 837,00 en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden;
‒ bepaalt dat voormeld bedrag aan de gemachtigde van betrokkene zal worden uitbetaald door het Centraal Justitieel Incassobureau te Leeuwarden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Jansen, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:

Voetnoten

1.Vgl. de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 november 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2022:9934.