De rechtbank Noord-Holland behandelde op 12, 14 en 18 september 2023 de vordering van het Openbaar Ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van veroordeelde, voortvloeiend uit een veroordeling wegens diefstal door meerdere verenigde personen. De officier van justitie had aanvankelijk een bedrag van €881.813,16 gevorderd, later bijgesteld naar €96.777,53, gebaseerd op een schatting van 10% van de helerswaarde van de gestolen goederen.
De verdediging stelde dat veroordeelde geen voordeel had genoten. De rechtbank oordeelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel niet op de ontnemingsrapportage kon worden gebaseerd, omdat concrete aanwijzingen uit het dossier, waaronder tapgesprekken en SKY-berichten, aantonen dat alle betrokkenen elk €50.000 hebben ontvangen. Veroordeelde heeft geen verklaring afgelegd, waardoor de rechtbank aanneemt dat hij een gelijk bedrag heeft verkregen.
De rechtbank stelde het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €50.000 en legde veroordeelde de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen. De redelijke termijn was overschreden, maar dit werd gecompenseerd door matiging van de straf. De gijzelingstermijn werd vastgesteld op maximaal 1000 dagen. De beslissing is genomen door een meervoudige strafkamer en uitgesproken op 20 oktober 2023.