De huurder huurt sinds 1 augustus 2018 een woning van de verhuurder tegen een overeengekomen huurprijs van €1.075 per maand. De Huurcommissie stelde op 8 juni 2021 een redelijke huurprijs vast van €514,63 per maand ingaande vanaf 1 augustus 2018. Na een verzetprocedure en hoger beroep van de verhuurder, werd de lagere huurprijs definitief vastgesteld door de kantonrechter en het hof.
De huurder vordert terugbetaling van het teveel betaalde bedrag vanaf de aanvang van de huur, vermeerderd met wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. De verhuurder betwist de vordering deels, wijst op het ontbreken van spoedeisend belang en stelt dat verrekening met nog vast te stellen servicekosten en huurverhogingen mogelijk is.
De kantonrechter oordeelt dat de vordering voldoende aannemelijk is gezien de onherroepelijke uitspraak over de lagere huurprijs en dat het spoedeisend belang is onderbouwd door de financiële situatie van de huurder. Het beroep op verrekening faalt vanwege het ontbreken van een opeisbare vordering van de verhuurder. De buitengerechtelijke kosten worden afgewezen wegens gebrek aan onderbouwing. De vordering tot betaling van het teveel betaalde bedrag en de wettelijke rente worden toegewezen, evenals de proceskosten, met uitzondering van de dagvaardingskosten.