ECLI:NL:RBNHO:2023:10650

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 september 2023
Publicatiedatum
24 oktober 2023
Zaaknummer
15-039730-23
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Wet DNAArt. 2 Wet DNAArt. 231 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift gegrond verklaard tegen DNA-afname bij valsheid in geschrift

De rechtbank Noord-Holland behandelde een bezwaarschrift van een veroordeelde tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel op grond van artikel 7 van Pro de Wet DNA. De veroordeelde was veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vals reisdocument, een feit onder artikel 231 lid 2 Sr Pro. De rechtbank overwoog dat DNA-onderzoek bij valsheid in geschrift zelden van betekenis is voor opsporing en dat de veroordeelde geen eerdere justitiële contacten heeft en inmiddels over geldige reisdocumenten beschikt.

De officier van justitie stelde dat DNA-onderzoek wel relevant kan zijn vanwege mogelijke contactsporen op valse documenten, maar de rechtbank vond dit onvoldoende om de uitzondering van artikel 2 lid 1 onder Pro b Wet DNA te verwerpen. Gezien de aard van het delict en het ontbreken van aanwijzingen voor recidivegevaar, achtte de rechtbank het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis voor opsporing, vervolging of berechting.

Daarom werd het bezwaarschrift gegrond verklaard en werd de officier van justitie bevolen het afgenomen celmateriaal van de veroordeelde te vernietigen. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Buiskool op 18 september 2023.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen DNA-afname is gegrond verklaard en het afgenomen celmateriaal moet worden vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Haarlem
parketnummer : 15-039730-23
raadkamernummer : 23-017950
datum : 18 september 2023
beslissing van de enkelvoudige raadkamer op het bezwaar op grond van artikel 7 Wet Pro DNA-onderzoek bij veroordeelden (Wet DNA) van:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
ter dezer zake woonplaats kiezend op het kantoor van mr. R.R. van Zuijlen, advocaat te Haarlem (Kenaupark 24, 2011 MT Haarlem),
hierna te noemen: de veroordeelde.

Procedure

Het bezwaarschrift is op 14 juli 2023 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.
De rechtbank heeft op 4 september 2023 het bezwaar in besloten raadkamer behandeld.
De rechtbank heeft de gemachtigde advocaat van de veroordeelde, mr. R.R. van Zuijlen en de officier van justitie op zitting gehoord.
De veroordeelde is, hoewel daartoe goed opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

Bezwaar

Het bezwaar richt zich tegen het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van de veroordeelde.
Namens de veroordeelde is aangevoerd dat sprake is van een uitzondering zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder b, van de Wet DNA, nu redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
De raadsman van de veroordeelde heeft in raadkamer het bezwaarschrift nader toegelicht en daarbij – onder meer –verwezen naar een uitspraken van de rechtbank Gelderland (ECLI:NL:RBGEL:2023:3232). Kijkend naar het feit waarvoor de veroordeelde is veroordeeld – artikel 231 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafrecht – kan het bepalen en verwerken van het DNA-profiel niet van betekenis zijn voor, met name, de opsporing.
Veroordeelde is first offender en er is bovendien een kans dat het Hof de veroordeelde in hoger beroep vrij zal spreken van het ten laste gelegde. Verder heeft de veroordeelde inmiddels de beschikking over geldige reisdocumenten.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat zich geen uitzondering voordoet in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA en dat het bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde kan wel degelijk van belang kan zijn voor de opsporing van feiten soortgelijk aan dat feit waarvoor veroordeelde is veroordeeld. Valsheid in geschrift wordt gekenmerkt door ‘gebruik maken’, wat in veel gevallen betekent dat de veroordeelde het valse of vervalste document voorhanden heeft gehad, getoond, overgelegd, verstuurd, overhandigd etc. Bij het gebruikmaken van valse of vervalste documenten is dan ook niet onaannemelijk dat contactsporen op die documenten achterblijven. Alleen al dit gegeven maakt dat DNA-onderzoek op die contactsporen zinvol kan zijn bij de opsporing van dergelijke feiten.

Beoordeling

Bij vonnis van 11 mei 2023 is de veroordeelde door de politierechter in deze rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden waarvan één maand voorwaardelijk en een proeftijd van twee jaren. Daarbij is bewezen verklaard dat veroordeelde zich schuldig heeft gemaakt aan een reisdocument voorhanden hebben, waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden, dat het vals of vervalst is (art. 231 Wetboek Pro van Strafrecht). Op 22 mei 2023 heeft de veroordeelde hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Het bezwaar is tijdig en op de juiste wijze ingediend. De veroordeelde kan daardoor in het bezwaar worden ontvangen.
Het bevel van de officier van justitie tot afname van DNA-materiaal van de veroordeelde van
24 mei 2023 is gegrond op artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA.
De veroordeelde heeft op 4 juli 2023 middels afname van wangslijmvlies celmateriaal afgestaan ten behoeve van DNA-onderzoek.
Uitgangspunt van de Wet DNA is dat bij iedere veroordeelde als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA celmateriaal wordt afgenomen. De officier van justitie is verplicht een daartoe strekkend bevel te geven, tenzij zich één van de in het eerste lid onder a en b genoemde – en volgens de Hoge Raad beperkt uit te leggen – uitzonderingen voordoet.
De uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder a, van de Wet DNA doet zich niet voor.
De rechtbank dient op grond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA te beoordelen of redelijkerwijs aannemelijk is dat het bepalen en verwerken van het DNA-profiel van veroordeelde, gelet op de aard van het misdrijf of de bijzondere omstandigheden waaronder het misdrijf is gepleegd, niet van betekenis zal kunnen zijn voor de voorkoming, opsporing, vervolging en berechting van strafbare feiten van de veroordeelde.
Naar het oordeel van de rechtbank speelt DNA-onderzoek bij met name de opsporing van valsheiddelicten als artikel 231 Sr Pro een (zeer) geringe rol. Anders dan bijvoorbeeld dacty-onderzoek (vingerafdrukken), komt de rechtbank DNA-onderzoek in dergelijke dossiers zelden tegen.
Voorts betrekt de rechtbank in haar overwegingen dat veroordeelde, naast het feit waarvoor hij op 11 mei 2023 is veroordeeld, niet met justitie in aanraking is gekomen en dat veroordeelde, naar onweersproken is gesteld, inmiddels de beschikking heeft over geldige reisdocumenten. Het dossier bevat geen aanwijzingen voor recidivegevaar.
Gelet op deze concrete feiten en omstandigheden, is de rechtbank van oordeel dat in de onderhavige zaak de uitzonderingsgrond van artikel 2, eerste lid onder b, van de Wet DNA zich voordoet. Het bezwaarschrift zal daarom gegrond worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het bezwaarschrift gegrond;
- beveelt de officier van justitie ervoor zorg te dragen dat het celmateriaal van veroordeelde terstond wordt vernietigd.
Deze beslissing is gegeven door
mr. A. Buiskool, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. S. Bahta, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2023.