ECLI:NL:RBNHO:2023:10702

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 oktober 2023
Publicatiedatum
25 oktober 2023
Zaaknummer
10657930 \ CV EXPL 23-5341
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 1 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 9 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 19 Verdrag van Montreal
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim passagiers wegens niet-toepassing EU-verordening en Verdrag van Montreal

Drie passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten met een Britse luchtvaartmaatschappij voor een vlucht van Londen Gatwick naar Amsterdam Schiphol op 6 juni 2022. De vlucht werd geannuleerd, waarna de passagiers compensatie en vergoeding van kosten voor vervangend vervoer vorderden op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 en artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal.

De kantonrechter stelde ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter bevoegd was, maar oordeelde dat de EU-verordening niet van toepassing was omdat de vertrekplaats buiten de EU lag en de vervoerder geen communautaire luchtvaartmaatschappij was vanwege de Brexit. Hierdoor viel de vlucht niet onder het toepassingsgebied van de verordening.

Daarnaast werd het beroep op artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal verworpen omdat de passagiers niet hadden gesteld dat ze met vertraging aankwamen, maar dat sprake was van een situatie van niet-vervoer of gehele wanprestatie, waarop artikel 19 niet Pro van toepassing is.

De vorderingen van de passagiers werden daarom afgewezen en zij werden veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden vastgesteld. Het vonnis werd gewezen door kantonrechter S.N. Schipper.

Uitkomst: Vordering tot compensatie en vergoeding afgewezen wegens niet-toepassing EU-verordening en Verdrag van Montreal.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10657930 \ CV EXPL 23-5341 (DB)
Uitspraakdatum: 25 oktober 2023
Verstekvonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

2. [eiser 2]

3. [eiser 3]

allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen de passagiers
gemachtigde mr. B.F.I. Bruisten (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
easyJet Airline Company Limited
gevestigde te Londen Luton Airport (Verenigd Koninkrijk), mede kantoorhoudende te Amsterdam
gedaagde
hierna te noemen de vervoerder
niet verschenen

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben de vervoerder gedagvaard. Tegen de vervoerder is verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
2.2.
Passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Londen Gatwick (Verenigd Koninkrijk) naar Amsterdam Schiphol met vluchtnummer U28881 op 6 juni 2022 (hierna: de vlucht).
2.3.
De vlucht is geannuleerd.
2.4.
De passagiers vorderen onder andere compensatie ter hoogte van € 750,00. Zij hebben daaraan ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). Voorts vorderen de passagiers vergoeding van kosten in verband met de aankoop van treinkaartjes (vervangend vervoer) op grond van artikel 9 van Pro de Verordening dan wel op grond van artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal tot het brengen van eenheid in enige bepalingen inzake het internationale luchtvervoer van 28 mei 1999, Trb. 2001/91 (hierna: het Verdrag van Montreal).
2.5.
De kantonrechter oordeelt dat hij ambtshalve gehouden is te toetsen of de onderhavige vordering onder het toepassingsbereik van de Verordening en/of het Verdrag van Montreal valt. De kantonrechter beantwoordt deze vraag ontkennend. Het volgende is hiervoor redengevend.
2.6.
Artikel 3, lid 1, van de Verordening luidt als volgt:
“Deze verordening is van toepassing
a. op passagiers die vertrekken vanaf een luchthaven die gelegen is op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is;
b) op passagiers die vertrekken vanaf een in een derde land gelegen luchthaven naar een luchthaven op het grondgebied van een lidstaat waarop het Verdrag van toepassing is, tenzij zij bepaalde voordelen of compensatie hebben ontvangen en bijstand hebben gekregen in dat derde land, indien de luchtvaartmaatschappij die de vlucht in kwestie uitvoert, een communautaire luchtvaartmaatschappij is”.
2.7.
Nu Londen (Verenigd Koninkrijk) als vertrekplaats moet worden aangemerkt, is de luchthaven van vertrek buiten de EU gelegen, zodat niet wordt voldaan aan artikel 3, lid 1, aanhef en sub a van de Verordening. De kantonrechter stelt vast dat de vervoerder is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, dat op 31 januari 2020 de Europese Unie heeft verlaten (de zogenaamde ‘Brexit’). In dat kader is tussen het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie het zogenaamde Terugtrekkingsakkoord gesloten, dat voorziet in een overgangsperiode die op 31 december 2020 is geëindigd. Dit houdt in dat de vervoerder op de geplande vluchtdatum, 6 juni 2022, niet als een communautaire luchtvaartmaatschappij is aan te merken, zodat er evenmin is voldaan aan artikel 3, lid 1, aanhef en sub b van de Verordening. De conclusie is dan ook dat de Verordening niet van toepassing is op de betreffende vlucht. De gevorderde compensatie komt daarom niet voor toewijzing in aanmerking. De vordering van de passagiers tot additionele kosten kan evenmin op grond van de Verordening worden toegewezen.
2.8.
De passagiers hebben de vordering tot additionele kosten mede gebaseerd op artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal. De passagiers stellen dat zij geen vervangende vlucht aangeboden hebben gekregen. De passagiers hebben echter niet gesteld dat zij met vertraging op de eindbestemming zijn aangekomen, noch dat de beslissing van de passagiers om alternatief vervoer (treintickets) te boeken, is ontstaan uit ‘een vertraging in het luchtvervoer’. Het moet er om die reden voor gehouden worden dat sprake is van een situatie ‘niet-vervoeren’ of gehele wanprestatie, waarbij artikel 19 van Pro het Verdrag van Montreal niet van toepassing is. De conclusie is dat ook de gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen.
2.9.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die de kantonrechter aan de kant van de vervoerder tot en met vandaag vaststelt op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter