ECLI:NL:RBNHO:2023:10855

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
2 augustus 2023
Publicatiedatum
30 oktober 2023
Zaaknummer
9432025 \ CV EXPL 21-6107
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Compensatie wegens vluchtannulering door staking Schiphol niet afgewezen wegens onvoldoende alternatief

De passagiers hadden een vervoersovereenkomst met de vervoerder voor een vlucht van Amsterdam naar Porto op 28 mei 2019, die werd geannuleerd vanwege een staking op Schiphol. De passagiers vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004.

De vervoerder stelde dat sprake was van buitengewone omstandigheden door de staking en dat passende maatregelen waren getroffen, waaronder omboeking naar eerdere vluchten. De kantonrechter oordeelde dat de staking inderdaad buitengewone omstandigheden vormde, maar dat de vervoerder niet had aangetoond dat de aangeboden alternatieven redelijk waren.

De vervoerder had niet bewezen dat andere vluchten van andere maatschappijen ook waren geannuleerd, waardoor het recht op compensatie bleef bestaan. De passagiers kregen een vergoeding van € 7.200 plus incassokosten en proceskosten toegewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vervoerder is veroordeeld tot betaling van € 8.089,35 aan passagiers wegens annulering vlucht door staking zonder voldoende redelijke alternatieven.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9432025 \ CV EXPL 21-6107
Uitspraakdatum: 2 augustus 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1],

2.
[eiser 2],beiden wonende te [plaats 1],
3.
[eiser 3],
4.
[eiser 4],beiden wonende te [plaats 2],
5.
[eiser 5],wonende te [plaats 3],
6.
[eiser 6],
7.
[eiser 7],beiden wonende te [plaats 4],
8.
[eiser 8],
9.
[eiser 9],
10.
[eiser 10],beiden wonende te [plaats 5],
11.
[eiser 11],
12.
[eiser 12],beiden wonende te [plaats 6] (Portugal),
13.
[eiser 13],
14.
[eiser 14],beiden wonende te [plaats 3],
15.
[eiser 15],
16.
[eiser 16],beiden wonende te [plaats 7],
17.
[eiser 17],wonende te [plaats 8],
18.
[eiser 18],wonende te [plaats 1],
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. R.A.C. Telkamp (EUclaim B.V.)
tegen
de commanditaire vennootschap
Transavia Airlines C.V.
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. L. Kloot

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 26 mei 2021 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven. De passagiers hebben zich bij akte uitgelaten over (de producties bij) de schriftelijke reactie van de vervoerder.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers diende te vervoeren van Amsterdam Schiphol Airport naar Porto Airport (Portugal) met vlucht HV6005 op 28 mei 2019, hierna: de vlucht.
2.2.
De vlucht is geannuleerd.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering en het verweer

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 7.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 mei 2019, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 889,35 dan wel € 847,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil uitgegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Vast staat dat de vlucht van de passagiers is geannuleerd. Nu gesteld, noch gebleken is dat de vervoerder zich kan beroepen op artikel 5, eerste lid, onder c sub i, ii of iii van de Verordening, geldt er in beginsel een compensatieplicht voor de vervoerder. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de annulering het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden als bedoeld in artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening. In de considerans van de Verordening heeft de gemeenschapswetgever erop gewezen dat dergelijke omstandigheden zich met name kunnen voordoen in geval van politieke onstabiliteit, weersomstandigheden die uitvoering van de vlucht in kwestie verhinderen, beveiligingsproblemen, onverwachte vliegveiligheidsproblemen en stakingen die gevolgen hebben voor de vluchtuitvoering van de luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert.
4.3.
De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder voldoende heeft aangetoond dat Schiphol naar aanleiding van de staking alle luchtvaartmaatschappijen heeft verzocht maatregelen te nemen om te voorkomen dat de openbare orde te Schiphol zou worden verstoord. Voorts heeft de vervoerder voldoende onderbouwd dat hij gevolg heeft gegeven aan dit verzoek en is overgegaan tot het omboeken van passagiers en annuleren van vluchten met als vertrekbestemming Amsterdam Schiphol Airport. De vraag die voorligt is of deze omstandigheden kunnen worden aangemerkt als buitengewone omstandigheden in de zin van de Verordening. De kantonrechter overweegt dat het in eerste instantie aan de vervoerder is om aan te tonen dat hij geen andere keuze had dan tot annulering van de vlucht over te gaan. In het onderhavige geval had de vervoerder een keuze, maar heeft hij er voor gekozen - gezien de uitzonderlijke omstandigheden - om gevolg te geven aan de oproep van de luchthaven om het aantal passagiers op Schiphol te reduceren. Alle feiten en omstandigheden van het onderhavige geval maken dat de kantonrechter van oordeel is dat sprake is van buitengewone omstandigheden. Immers, indien de vervoerder (en andere luchtvaartmaatschappijen) geen gehoor hadden gegeven aan de oproep is niet uitgesloten dat dit tot ernstige verstoringen zou hebben geleid op Schiphol.
4.4.
Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de gevolgen van de buitengewone omstandigheden zo beperkt mogelijk te houden. De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat hij de passagiers de mogelijkheid heeft geboden tussen omboeking naar een alternatieve vlucht of restitutie van de ticketprijs. De passagiers betwisten dat de alternatief aangeboden vlucht(en) als redelijke maatregel aangemerkt kunnen worden. Uit het arrest van het Hof van 11 juni 2020 (C-74/19) volgt dat, indien de passagier met een door de vervoerder zelf uitgevoerde alternatieve vlucht de dag na de oorspronkelijk vastgestelde dag aankomt dit in beginsel geen redelijke maatregel vormt. Hierbij gaat de kantonrechter voor de interpretatie van het hiervoor genoemde woord ‘dag’ uit van een tijdruimte en voor de uitleg ervan wordt aangesloten bij de algemeen geaccepteerde uitleg, zijnde een tijdsduur van 24 uur. Ten aanzien van de passagiers sub 1 t/m 4, sub 6 t/m 14, sub 17 en sub 18 heeft de vervoerder aangevoerd dat zij er zelf voor hebben gekozen om meer dan 24 uur later te vliegen. De passagiers hadden er volgens de vervoerder ook voor kunnen kiezen om met vlucht HV6003 of, net zoals de passagier sub 5, met vlucht HV6001 naar Porto af te reizen. Deze vluchten stond gepland om elf respectievelijk twintig uur eerder dan de oorspronkelijk geboekte vlucht te vertrekken. De kantonrechter is echter van oordeel dat ook deze vluchten, in het licht van artikel 5 lid 1 sub c onder Pro iii van de Verordening, geen redelijke maatregel vormen. Het is onder deze omstandigheden aan de vervoerder om te stellen en te bewijzen dat er geen redelijk alternatief beschikbaar was bij andere luchtvaartmaatschappijen. De passagiers hebben in dit kader een lijst van mogelijke alternatieve vluchten (uitgevoerd door andere luchtvaartmaatschappijen) van Amsterdam naar Porto op 28 en 29 mei 2019 overgelegd. De vervoerder heeft aangevoerd dat omboeking naar deze vluchten niet mogelijk was, omdat ook deze vluchten onderhevig waren aan de capaciteitsreductie op Schiphol. Naar het oordeel van de kantonrechter is echter niet vast komen te staan dat deze vluchten geen doorgang hebben gevonden. Het enkele feit dat de genoemde vluchten gepland stonden om op 28 mei 2019 te vertrekken, betekent niet dat deze vluchten per definitie zijn geannuleerd. Het had op de weg van de vervoerder gelegen om aan te tonen dat ook deze vluchten wegens de staking van het openbaar vervoer geannuleerd waren, en dat omboeking daarom niet mogelijk was. Dit heeft de vervoerder nagelaten. Zodoende is de kantonrechter van oordeel dat de vervoerder er niet in is geslaagd om voldoende aannemelijk te maken dat de passagiers een redelijk alternatief aangeboden hebben gekregen. Dat de passagiers sub 11 en sub 12 de alternatief aangeboden vlucht HV6003 wegens een medisch noodgeval hebben gemist en er vervolgens voor hebben gekozen om met een door henzelf geboekte vlucht vanaf Amsterdam naar Porto te vliegen doet daar niets aan af. Het feit dat de passagiers sub 15 en sub 16 voor restitutie in plaats van omboeking hebben gekozen staat evenmin aan het recht op compensatie in de weg.
4.5.
De vordering tot betaling van de hoofdsom van € 7.200,00 zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar.
4.6.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom zal de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn toetsen aan de eisen zoals deze zijn geformuleerd in het rapport Voorwerk II. Voldoende aannemelijk is gemaakt dat de passagiers buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven zoals vervat in het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II; de tarieven neergelegd in het Besluit worden geacht redelijk te zijn.
Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief (inclusief btw), zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is toewijsbaar, met dien verstande dat deze wordt toegewezen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat de passagiers in elk geval vanaf die datum daarop aanspraak kunnen maken en gesteld noch gebleken is dat dit ook al vanaf een eerdere datum kon.
4.7.
De proceskosten komen voor rekening van de vervoerder, omdat deze ongelijk krijgt. Ook de nakosten kunnen worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt. De gevorderde rente is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 8.089,35‬, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 7.200,00 vanaf 28 mei 2019, en over € 889,35 vanaf 26 mei 2021 tot aan de dag der algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 103,83;
griffierecht € 240,00;
salaris gemachtigde € 660,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 165‬,00 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt
,vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter