ECLI:NL:RBNHO:2023:10896

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
25 januari 2023
Publicatiedatum
30 oktober 2023
Zaaknummer
10160573 \ CV EXPL 22-6200
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens betwisting bestaan overeenkomst domeinregistratie

De eisende partij, Mijndomein Hosting B.V., vordert betaling van een factuur voor diensten omtrent domeinregistratie en beheer. De gedaagde betwist het bestaan van een overeenkomst en stelt nooit een bestelling te hebben geplaatst. Hoewel de gedaagde een eerdere factuur betaalde, wordt dit niet als erkenning van de overeenkomst gezien.

De rechtbank overweegt dat de bewijslast voor het bestaan van de overeenkomst bij de eisende partij ligt. De eisende partij kon geen getekende overeenkomst overleggen en baseerde zich op een digitaal ingevuld aanmeldformulier met gegevens die ook openbaar bekend zijn. Dit is onvoldoende om het bestaan van de overeenkomst aan te tonen.

De betaling van een eerdere factuur door de gedaagde wordt niet als erkenning van de overeenkomst beschouwd. De eisende partij heeft onvoldoende concrete feiten gesteld om het bestaan van de overeenkomst te bewijzen. Daarom wordt de vordering afgewezen en worden de proceskosten aan de eisende partij opgelegd.

Uitkomst: De vordering tot betaling wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het bestaan van de overeenkomst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 10160573 \ CV EXPL 22-6200
Uitspraakdatum: 25 januari 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Mijndomein Hosting B.V.
gevestigd te Lelystad
de eisende partij
gemachtigde: Landelijke Associatie Van Gerechtsdeurwaarders B.V.
tegen
[gedaagde],handelend onder de naam
[bedrijf]
wonende te [plaats]
de gedaagde partij
procederend in persoon

1.Het procesverloop

1.1.
De eisende partij heeft bij dagvaarding van 19 oktober 2022 een vordering tegen de gedaagde partij ingesteld. De gedaagde partij heeft mondeling geantwoord.
1.2.
De eisende partij heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de gedaagde partij zowel een mondelinge als een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De vordering

2.1.
De eisende partij heeft gevorderd de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 56,12, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over € 14,79 vanaf 17 oktober 2022 tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de gedaagde partij in de proceskosten en de nakosten.
2.2.
De eisende partij heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij met de gedaagde partij een overeenkomst tot het registreren en beheren van een domeinnaam (hierna: de overeenkomst) heeft gesloten. Op grond van deze overeenkomst heeft de eisende partij diensten geleverd, zoals het opzetten dan wel het online houden van de website van de gedaagde partij ([internetsite]). Bij de overeenkomst heeft de gedaagde partij zich verbonden om een jaarlijks bedrag te betalen aan de eisende partij. De factuur waarvan de eisende partij betaling vordert, volgt uit deze overeenkomst.

3.Het verweer

3.1.
De gedaagde partij betwist het bestaan van de overeenkomst. De gedaagde partij is eerst bij dagvaarding bekend geworden met de handelsactiviteiten van de eisende partij. Hij heeft dan ook nooit een aanmeldformulier ingevuld dan wel op een andere wijze een bestelling geplaatst bij de eisende partij. Weliswaar heeft de gedaagde partij reeds eerder een factuur van de eisende partij voldaan, maar ook deze factuur is onterecht bij de gedaagde partij in rekening gebracht. De gedaagde partij heeft de eerdere factuur enkel voldaan omdat het ging om een laag bedrag en het meer moeite zou kosten om uit te zoeken waar de factuur voor was.
3.2.
De gedaagde partij benadrukt dat hij geen website heeft en deze ook nooit heeft gehad.

4.De beoordeling

4.1.
De kern van dit geschil draait om de vraag of sprake is van een overeenkomst tussen partijen. Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van Pro het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) rust de bewijslast van het bestaan van de overeenkomst op de partij die zich op de rechtsgevolgen van de overeenkomst beroept, in dit geval is dat de eisende partij.
4.2.
De eisende partij heeft in dit verband gesteld dat de overeenkomst digitaal tot stand is gekomen via de website van de eisende partij. Om die reden kan de eisende partij geen getekende overeenkomst in het geding brengen. Het bestaan van de overeenkomst blijkt volgens de eisende partij uit het online ingevulde aanmeldformulier. De ingevulde gegevens (de bedrijfsnaam, de voor- en achternaam van de gedaagde partij, zijn telefoonnummer en het woonadres van de gedaagde partij ten tijde van het invullen van de gegevens) zijn volgens de eisende partij strikt persoonlijk zodat alleen de gedaagde partij zelf deze gegevens heeft kunnen invullen. De eisende partij stelt verder dat de gedaagde partij een eerdere factuur wél heeft voldaan. Hiermee heeft de gedaagde partij het bestaan van de overeenkomst erkend, aldus de eisende partij.
4.3.
De kantonrechter overweegt als volgt. Nog afgezien van het feit dat het formulier is ingevuld met bij de Kamer van Koophandel (KvK) bekende (en dus voor eenieder inzichtelijke) gegevens, blijkt uit het formulier niet dat de gedaagde partij de eisende partij opdracht heeft gegeven om tegen betaling een domeinnaam te registreren en/of te beheren. Ook uit hetgeen de eisende partij verder heeft gesteld blijkt niet dat sprake is geweest van een dergelijke overeenkomst. Het enkele feit dat de gedaagde partij een eerdere factuur wel heeft voldaan is daarvoor niet voldoende. Uit de betaling op zichzelf volgt niet de erkenning van het bestaan van de overeenkomst. Tegenover het gemotiveerde verweer van de gedaagde partij heeft de eisende partij onvoldoende concrete feiten of omstandigheden gesteld waaruit het bestaan van de overeenkomst volgt. Nu het bestaan van de overeenkomst niet is komen vast te staan, ontbreekt een grondslag voor toewijzing van de vordering. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering zal worden afgewezen.
4.4.
De proceskosten komen voor rekening van de eisende partij, omdat zij ongelijk krijgt. Deze worden aan de kant van de gedaagde partij tot en met vandaag vastgesteld op nihil.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de eisende partij tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de gedaagde partij worden vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en op bovengenoemde datum in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter