Partijen zijn broer en zus die het oneens zijn over de samenstelling en verdeling van de nalatenschap van hun moeder. De moeder was getrouwd in gemeenschap van goederen met hun vader, die in 2020 overleed. In het testament van vader was een ouderlijke boedelverdeling opgenomen waarbij alle goederen aan moeder toekwamen en de kinderen een geldvordering kregen.
De moeder overleed in mei 2021 en benoemde haar kinderen tot erfgenamen. De broer aanvaardde de nalatenschap beneficiair, de zus was executeur maar werd ontslagen en vervangen door een notaris. De broer vorderde onder meer vaststelling van de nalatenschap, uitkering van zijn erfdeel uit de nalatenschap van vader en een specifieke wijze van verdeling van sieraden en inboedel.
De rechtbank oordeelde dat de broer ontvankelijk is en stelde vast dat de nalatenschap ruimschoots toereikend is. De rechtbank oordeelde dat de broer geen inbrengverplichting heeft voor de schenking van €25.000 van vader, dat de vordering van €31.363,50 niet kan worden vastgesteld wegens onduidelijkheid over leningen, en dat de zogenaamde inhaalschenking van €6.000 geen onderdeel van de nalatenschap vormt. De leningen van vader aan broer worden geacht nog €27.600 te bedragen.
De rechtbank stelde de nalatenschap samen uit creditsaldi, levensverzekering, vordering op broer, roerende zaken en kerstschenking aan kleinkinderen. De sieraden worden aan de zus toegedeeld met verrekening van de waarde, de inboedel wordt verdeeld zoals partijen overeenkwamen, en ieder krijgt de helft van de nalatenschap met verrekening van schulden en vorderingen. Proceskosten worden ieder voor eigen rekening genomen.