ECLI:NL:RBNHO:2023:11976
Rechtbank Noord-Holland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen schorsing en beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende motivering
Verzoekster, die sinds december 2021 wegens ziekte een Ziektewet-uitkering ontvangt, kreeg haar uitkering geschorst en beëindigd door besluiten van het UWV op verzoek van haar ex-werkgever wegens het niet verschijnen bij de bedrijfsarts. De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van een spoedeisend belang, omdat verzoekster zonder inkomen zit en in maatschappelijke opvang verblijft met zorg voor een minderjarige dochter.
De motivering van de besluiten wordt als onvoldoende beoordeeld: de schorsing bevat geen duidelijke grondslag en verzoekster heeft binnen de gestelde termijn contact opgenomen met de ex-werkgever. Het beëindigingsbesluit vermeldt geen wettelijke grondslag en is onjuist gemotiveerd, mede omdat de uitkering met terugwerkende kracht is beëindigd, wat niet is toegestaan.
Verder blijkt uit het dossier dat verzoekster nog steeds beperkingen heeft die het recht op uitkering ondersteunen. De voorzieningenrechter concludeert dat de besluiten niet standhouden in bezwaar en dat de uitkering daarom ongewijzigd moet worden voortgezet tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
Tot slot wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan verzoekster.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de Ziektewet-uitkering wordt ongewijzigd voortgezet tot zes weken na de beslissing op bezwaar.