Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2023:11982

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
21 november 2023
Publicatiedatum
27 november 2023
Zaaknummer
23-6210
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij afwijzing Participatiewet-uitkering wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekster heeft een uitkering op grond van de Participatiewet aangevraagd na verhuizing naar de gemeente Heemskerk. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen wegens schending van de medewerkings- en inlichtingenplicht, onder meer omdat verzoekster niet wilde meewerken aan een onaangekondigd huisbezoek en tegenstrijdige verklaringen gaf over het huurcontract.

Verzoekster heeft tegen deze afwijzing bezwaar gemaakt en tevens een voorlopige voorziening gevraagd om de uitkering per aanvraagdatum beschikbaar te stellen. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op zitting behandeld en beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang.

De voorzieningenrechter oordeelt dat bij financiële geschillen doorgaans geen spoedeisend belang bestaat, tenzij er sprake is van een onomkeerbare situatie of acute financiële nood. Verzoekster stelde dat zij schulden heeft en afhankelijk is van de bijstand, maar verweerder wees op een recente storting van € 2.000 op haar rekening en de verwachting dat de beslissing op bezwaar spoedig volgt.

Gezien het ontbreken van acute financiële nood, de financiële ondersteuning door meerderjarige kinderen en het ontbreken van een dreigende ontruiming, concludeert de voorzieningenrechter dat het spoedeisend belang ontbreekt. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/6210

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2023 in de zaak tussen

[verzoekster], uit [plaats], verzoekster

(gemachtigde: mr. J.P. Sanchez Montoto),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk, verweerder
(gemachtigde: mr. M. van der Fluit en T.J.C. Bruineberg).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen de afwijzing van de aanvraag om een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) van verzoekster.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 18 september 2023 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft zij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat de uitkering per aanvraagdatum beschikbaar wordt gesteld.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 november 2023 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en [tolk] als tolk, en gemachtigden van verweerder.

Totstandkoming van het besluit

2. Verzoekster heeft zich op 25 juli 2023 gemeld bij het UWV Werkbedrijf en op 1 augustus 2023 een uitkering op grond van de Pw aangevraagd, nadat zij is verhuisd vanuit de gemeente Beverwijk.
2.1.
Naar aanleiding van de aanvraag zijn door verweerder per brief aan verzoekster gegevens opgevraagd. Verzoekster heeft vervolgens gegevens verstrekt. Ook is telefonisch met verzoekster gesproken. Op 7 september 2023 heeft een rapporteur van verweerder telefonisch contact opgenomen met verzoekster met de vragen waarom haar ex-man op het huurcontract staat en van welke middelen zij de huurprijs van € 2.000,00 kan betalen. Op 8 september 2023 heeft een gesprek bij verweerder plaatsgevonden. Naar aanleiding van het gesprek was er volgens de rapporteur aanleiding voor een huisbezoek, namelijk vanwege tegenstrijdige verklaringen van verzoekster over waarom haar ex-man op het huurcontract staat. De rapporteur heeft uitgelegd dat de gemeente (onaangekondigd) op huisbezoek kan komen. Het was niet mogelijk om direct na het gesprek een huisbezoek af te leggen.
2.2.
Op 15 september 2023 heeft de rapporteur een (onaangekondigd) huisbezoek gebracht aan verzoekster. Verzoekster heeft aangegeven niet te willen meewerken aan het huisbezoek. De aanvraag is vervolgens door verweerder afgewezen wegens schending van de medewerkingsplicht en de inlichtingenplicht. Volgens verweerder is het recht op bijstand niet vast te stellen. Daaraan legt verweerder de volgende bevindingen ten grondslag:
  • Op het huurcontract staan ook haar ex-man en twee van haar meerderjarige kinderen vermeld. Verzoekster heeft hier eerst over verklaard dat dit per abuis was en later dat alleen aan een gezin verhuurd werd.
  • Verzoekster heeft niet meegewerkt aan een huisbezoek.
  • Er zijn op de bankafschriften regelmatig bijschrijvingen te zien van verzoeksters kinderen en verzoekster doet diverse grote stortingen op haar rekening. Op dat moment ontving zij een uitkering van de gemeente Beverwijk. Er is niet aangetoond waar de stortingen vandaan komen.
De verstrekte voorschotten ter hoogte van € 1.119,96 zijn teruggevorderd.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat zij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
3.1.
Verzoekster voert hierover aan dat zij voor haar inkomsten slechts is aangewezen op een bijstandsuitkering. Vanwege het ontbreken van inkomsten wordt zij geconfronteerd met diverse schulden. Er is dan ook sprake van een acute noodsituatie en een spoedeisend belang.
3.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een spoedeisend belang, aangezien verzoekster in september nog een storting van € 2.000,00 op haar rekening heeft gekregen. Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder vermeld dat de hoorzitting in bezwaar op 8 november 2023 heeft plaatsgevonden en dat op korte termijn de beslissing op bezwaar is te verwachten.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Er is weliswaar sprake van een financieel belang bij het treffen van een voorlopige voorziening, maar niet is gebleken van acute financiële nood. Verzoekster heeft in september een bedrag van € 2.000,00, op haar rekening gestort gekregen. Dit is een bedrag dat hoger is dan de bijstandsnorm. Dat eiseres een bedrag van € 2.000,- aan maandelijkse huur moet voldoen en dat de betalingsachterstanden blijven bestaan, leidt niet tot de conclusie dat wel sprake is van acute financiële nood. Bovendien zijn de schulden waarop is gewezen ontstaan vóór de aanvraagdatum van de bijstand, en is niet gebleken dat er sprake is van een toename van schulden. Verzoekster kan met haar kinderen in de woning verblijven en wordt financieel ondersteund door haar meerderjarige dochters. Van een huurachterstand en dreigende ontruiming van de woning is dan ook niet gebleken. Bij deze stand van zaken ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in afwachting van de beslissing op bezwaar een voorziening te treffen. Dat eiseres voorafgaand aan de verhuizing naar de huidige gemeente in Beverwijk woonde en daar een bijstandsuitkering ontving, dat haar situatie sindsdien niet gewijzigd is en zij gewend is aan het ontvangen van een uitkering, maakt dat oordeel niet anders.
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.R. ten Berge, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 21 november 2023.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.