De passagier had een vervoersovereenkomst met KLM Cityhopper B.V. voor een vlucht van Dublin naar Zagreb via Amsterdam, die op 11 januari 2022 werd geannuleerd. AirHelp, als cessionaris van de passagier, vorderde compensatie op grond van EU-verordening 261/2004 wegens deze annulering.
De vervoerder stelde dat de annulering het gevolg was van buitengewone omstandigheden, namelijk de coronapandemie en de daaraan verbonden quarantaineverplichtingen voor cabinepersoneel, waardoor een groot deel van de bemanning niet beschikbaar was. Dit leidde tot een zodanig lage bezettingscapaciteit dat annulering onvermijdelijk was.
De rechtbank oordeelde dat de vervoerder dit voldoende aannemelijk heeft gemaakt en dat de coronamaatregelen als buitengewone omstandigheden gelden. Verder heeft de vervoerder aangetoond dat de passagier op eigen verzoek is omgeboekt naar een alternatieve vlucht, waarmee hij met meer dan 24 uur vertraging aankwam. Daarmee zijn alle redelijke maatregelen getroffen om de vertraging te beperken.
De vordering tot compensatie werd daarom afgewezen en AirHelp werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Dit vonnis bevestigt dat quarantaineverplichtingen tijdens de coronapandemie als buitengewone omstandigheden kunnen gelden en dat omboekingen op verzoek van passagiers niet automatisch leiden tot compensatieplicht.