Eiseres diende bezwaar in tegen de intrekking van een uitnodiging tot betaling (utb) van douanerechten opgelegd aan een derde partij, [bedrijf 1] B.V. Verweerder verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat eiseres niet rechtstreeks door de intrekking werd geraakt en geen beroepsgerechtigde was volgens artikel 44, eerste lid, van het Douanewetboek van de Unie (DWU).
De rechtbank oordeelde dat eiseres inderdaad niet rechtstreeks en individueel werd geraakt door de intrekking van de utb aan [bedrijf 1], aangezien de douaneschuld na intrekking aan eiseres zelf werd opgelegd. Het bezwaar kon niet mede namens [bedrijf 1] worden ingediend zonder volmacht, welke niet was overgelegd.
Eiseres verzocht tevens om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelde vast dat de redelijke termijn met vier maanden was overschreden, maar wees het verzoek af vanwege bijzondere omstandigheden en reeds toegekende vergoeding in een samenhangende zaak.
De rechtbank gelastte wel vergoeding van het betaalde griffierecht aan eiseres. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.