Eiseres, een 91-jarige vrouw met dementie, kreeg haar gehandicaptenparkeerkaart ongeldig verklaard nadat haar kleindochter de kaart oneigenlijk gebruikte zonder haar aanwezigheid. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn schorste de kaart voor onbepaalde tijd en handhaafde dit besluit na bezwaar. Eiseres stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het college een discretionaire bevoegdheid heeft om een kaart ongeldig te verklaren bij oneigenlijk gebruik, maar dat in dit geval onvoldoende rekening is gehouden met de persoonlijke omstandigheden van eiseres, waaronder haar hoge leeftijd en dementie. Het college had geen duidelijke belangenafweging gemaakt en onvoldoende gemotiveerd waarom de ongeldigverklaring gehandhaafd bleef.
De rechtbank vernietigde het besluit en beval het college binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de persoonlijke situatie van eiseres. Tot die tijd werd de ongeldigverklaring geschorst en moest de kaart weer beschikbaar worden gesteld. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.