ECLI:NL:RBNHO:2023:13876

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
13 december 2023
Publicatiedatum
18 januari 2024
Zaaknummer
6940696 \ CV EXPL 18-4288
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 lid 3 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieclaim wegens vluchtvertraging door buitengewone computersysteemstoring

De passagiers vorderden compensatie van British Airways wegens een vertraging van meer dan drie uur op hun vlucht van JFK naar Schiphol via Heathrow. De vertraging ontstond door een storing in het computersysteem van terminal 7 op JFK en het ontbreken van beschikbare gates, waardoor zij hun aansluitende vlucht misten.

De vervoerder stelde dat deze storing een buitengewone omstandigheid vormde waarop zij geen invloed had en dat zij alle redelijke maatregelen had getroffen, waaronder het omboeken van passagiers. De passagiers betwistten dat een computersysteemstoring een buitengewone omstandigheid was.

De kantonrechter oordeelde dat de storing inderdaad buiten de invloedsfeer van de vervoerder viel, verwijzend naar jurisprudentie van het Hof van Justitie. De vertraging van 3 uur en 14 minuten werd als buitengewone omstandigheid aangemerkt. Omdat de vervoerder de passagiers had omgeboekt naar de eerstvolgende vlucht, werd de vordering afgewezen en werden de proceskosten aan de passagiers opgelegd.

Uitkomst: De vordering tot compensatie wegens vluchtvertraging wordt afgewezen vanwege een buitengewone computersysteemstoring en voldoende genomen maatregelen door de vervoerder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 6940696 \ CV EXPL 18-4288
Uitspraakdatum: 13 december 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]

2.
[eiser 2]
3.
[eiser 3]
allen wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde mr. R.A.C. Telkamp
tegen
de buitenlandse vennootschap
Public Limited Company (Verenigd Koninkrijk) British Airways Plc.
gevestigd te Cardiff (Verenigd Koninkrijk)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde mr. J.J.O. Zandt

1.Het procesverloop

1.1.
De passagiers hebben bij dagvaarding van 5 maart 2018 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De passagiers hebben hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten op grond waarvan de vervoerder de passagiers op 29 mei 2016 diende te vervoeren van John F. Kennedy International Airport (Verenigde Staten) naar Heathrow Airport (Verenigd Koninkrijk) met vlucht BA182 (hierna: de vlucht). Vervolgens zouden zij op 30 mei 2016 met een aansluitende vlucht vervoerd worden van Heathrow Airport (Verenigd Koninkrijk) naar Schiphol International Airport Amsterdam (vluchtnummer BA424).
2.2.
De vlucht is vertraagd uitgevoerd. De passagiers hebben de aansluitende vlucht gemist. Zij zijn vervolgens omgeboekt naar een andere vlucht. De passagiers zijn met meer dan drie uur vertraging zijn aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde vertraging.
2.4.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 mei 2016, althans vanaf de datum van de ingebrekestelling, dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 363,00, dan wel begroot op € 326,76 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf maandag 27 juni 2016 dan wel vanaf de datum van betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;
- de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
De passagiers hebben aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder vanwege de vertraging van de vlucht gehouden is hen te compenseren conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 600,00 per passagier.
3.3.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover relevant – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
Niet in geschil is dat de passagiers met een vertraging van meer dan drie uur op de overeengekomen eindbestemming zijn aangekomen, zodat de vervoerder in beginsel een compensatieplicht heeft. Dit is anders indien de vervoerder kan aantonen dat de vertraging het gevolg is geweest van buitengewone omstandigheden in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening die ondanks het treffen van redelijke maatregelen niet voorkomen hadden kunnen worden.
4.3.
De vervoerder heeft in dit verband aangevoerd dat sprake was van een storing in terminal 7 van JFK Airport, hetgeen de uitvoering van de voorafgaande vlucht en de vlucht in kwestie heeft gehinderd. Ter onderbouwing hiervan heeft de vervoerder nieuwsberichten over dit incident en een intern overzicht van een onderzoek naar de oorzaak van de vertraging overgelegd (producties 1 t/m 4 bij de conclusie van antwoord). De vlucht in kwestie heeft door de computerstoring 119 minuten vertraging opgelopen, aldus de vervoerder.
4.4.
De passagiers hebben het voorgaande niet betwist, maar stellen dat een computersysteemstoring in het inchecksysteem, anders dan een storing bij de luchtverkeersleiding, niet kan worden aangemerkt als een buitengewone omstandigheid In het onderhavige geval deed de storing zich slechts voor in één terminal. De vervoerder is verantwoordelijk voor het inchecken en boarden van passagiers. Dat het systeem tot een derde partij behoort doet daar volgens de passagiers niet aan af, omdat dit wel binnen de invloedsfeer van de vervoerder ligt.
4.5.
De kantonrechter overweegt als volgt. De vervoerder heeft voldoende aangetoond dat sprake was van een computersysteemstoring. Naar het oordeel van de kantonrechter is een dergelijke systeemstoring aan te merken als een buitengewone omstandigheid. Een storing die zich voordoet in de systemen van de luchthaven is niet inherent aan de normale bedrijfsuitvoering en ligt buiten de invloeds- en risicosfeer van een luchtvaartmaatschappij. Daarbij wordt verwezen naar het arrest van het Hof van 7 juli 2022 (C-308/21), waarin is overwogen dat onder het begrip “externe gebeurtenissen” alle gebeurtenissen vallen die het gevolg zijn van het bedrijf van de luchtvaartmaatschappij en van externe omstandigheden die zich in de praktijk min of meer frequent voordoen, maar waarop de luchtvaartmaatschappij geen invloed heeft omdat zij het gevolg zijn van een natuurverschijnsel of een handeling van een derde, zoals een andere luchtvaartmaatschappij of een publieke of particuliere partij die het luchtverkeer of de luchthavenactiviteiten verstoort. Verder heeft het Hof in de voornoemde zaak overwogen dat, wanneer een brandstofvoorzieningssysteem van een luchthaven door deze luchthaven of een derde wordt beheerd, een algemene storing van zo’n systeem voor de brandstofvoorziening dus moet worden beschouwd als een gebeurtenis waarvan de oorsprong extern is aan de luchtvaartmaatschappij en waarop zij derhalve geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen. De kantonrechter acht de onderhavige zaak vergelijkbaar met hetgeen het Hof in voormeld arrest heeft overwogen. De vervoerder heeft voldoende onderbouwd dat in dit geval eveneens sprake is van faciliteiten (het computersysteem) die door of namens de luchthaven van John F. Kennedy International Airport (Verenigde Staten) moeten worden geleverd.
4.6.
De vertraging van de vlucht is mede veroorzaakt door de verlate binnenkomst van de voorgaande vlucht (BA179). Deze vlucht is met een vertraging van 22 minuten vertrokken vanaf Heathrow Airport (Verenigd Koninkrijk). Vervolgens moest deze voorgaande vlucht bij aankomst op John F. Kennedy International Airport (Verenigde Staten) 104 minuten taxiën omdat er geen gates beschikbaar waren. De kantonrechter is van oordeel dat de vervoerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het gebrek aan gates het directe gevolg is geweest van de computersysteemstoring. Zoals hiervoor is overwogen valt de computersysteemstorting in dit geval aan te merken als een buitengewone omstandigheid Naar het oordeel van de kantonrechter is voldoende gebleken dat de vertraging van vlucht BA179 direct effect heeft gehad op de uitvoering van onderhavige vlucht, nu uit het vluchtrapport van de vlucht blijkt dat de vertraging voor de duur van 87 minuten is veroorzaakt wegens vertragingscode RA, hetgeen volgens de vervoerder staat voor de vertraging die is ontstaan wegens de aankomstvertraging van de vorige vlucht. De buitengewone omstandigheid die zich heeft voorgedaan tijdens de uitvoering van vlucht BA179 werkt dan ook door naar de onderhavige vlucht. De vertraging van de vlucht in kwestie wegens de verlate binnenkomst van het toestel met vlucht BA179 bedraagt 87 minuten. Hieruit blijkt dat een deel van de vertraging van de voorafgaande vlucht is ingehaald. In deze stand van zaken werkt de vertraging van vlucht BA179 als gevolg van een buitengewone omstandigheid voor de duur van 87 minuten door op de vlucht.
4.7.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de totale vertraging van 3 uur en 14 min (87 minuten + 119 minuten) is aan te merken als een buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 5 lid 3 van Pro de Verordening.
4.8.
De volgende vraag die voorligt, is de vraag of de vervoerder alle redelijke maatregelen heeft getroffen om de vertraging van de passagiers te voorkomen dan wel te beperken. De kantonrechter is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Als onbetwist staat vast dat de vervoerder de passagiers heeft omgeboekt naar de eerst beschikbare vlucht met plaats. Niet valt in te zien welke maatregelen de vervoerder nog meer had kunnen nemen. De passagiers hebben in dit verband ook niets gesteld. De vordering van de passagiers tot betaling van compensatie wegens vertraging van de vlucht zal worden afgewezen.
4.9.
De proceskosten komen voor rekening van de passagiers, omdat zij ongelijk krijgen. Ook de nakosten komen voor rekening van de passagiers, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
wijst de vordering af;
5.2.
veroordeelt de passagiers tot betaling van de proceskosten, die tot en met vandaag voor de vervoerder worden vastgesteld op een bedrag van € 398,00 aan salaris van de gemachtigde van de vervoerder en veroordeelt de passagiers tot betaling van € 99,50 aan nakosten voor zover deze kosten daadwerkelijk door de vervoerder worden gemaakt;
5.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter